HOME | STAAT VAN DIENST | FOTO'S | KRIJGSGEVANGENSCHAP | NEDERLANDS-INDIE | SCHEPEN | NOSTALGIE | AMCO | GASTENBOEK | LINKEN | VERHALEN | INDIE VETERANEN | INFO | MUZIEK | OPROEP VETERANEN | VERHALEN VAN KRIJGSGEVANGENEN. | GESCHIEDENIS 1 | GESCHIEDENIS 2 | GESCHIEDENIS 3

                            

                                                                              VERHALEN. 

De verhalen zijn tot stand gekomen uit de herinneringen van verhalen die Arie Verouden heeft verteld en door de Mariniers : John Heitzer en Sander Kentie.De data zijn afgeleid aan de hand van de staat van dienst.Aanvullende informatie met betrekking tot de geschiedenis van WW11 en de acties in het voormalig Nederlands-Indie zijn op te zoeken via de Linken pagina.

Als er veteranen zijn die Arie Verouden gekend hebben ,kunnen , als daar animo voor is, contact opnemen met de webmaster voor uitbreiding / aanvulling van de verhalen. 

NIEUW ! ! !  17 april 2007.

John H.G. Heitzer ging op 17 jarige leeftijd als O.V.W.-er bij het Korps Mariniers en kreeg in 1945 zijn opleiding in Camp Lejeune om vervolgens uitgezonden te worden naar Nederlands-Indië.Zijn verhaal, wat hij in 1984 heeft geschreven, staat onderaan deze pagina.

40 JAAR – DENKEN , DENKEND , GEDENKEN , HERDENKEND EN

BEDENKELIJK .

November 1984, John H.G.Heitzer.

Er is mij gevraagd om dit artikel te schrijven als een O.V.W.-er, hoe je tegen het korps opkeek.

Ik had veel uitgebreider kunnen zijn maar dat was in de korte tijd die me gegeven was niet mogelijk.

Het besluit zou een denken,gedenken, herdenken moeten zijn.

Dan gedenk en herdenk ik af die vrienden op Kembang Koening die net als ik het leven van een marinier begonnen en niet zo gelukkig waren als ik om dit alles na 40 jaar nog eens naar boven te halen.

 

Een pagina uit de Delftsche Courant,vrijdag 17 december 1971:Zondagsschilder A.H.Verouden houdt niet van half werk.

Een fragment uit een vehaal van Soldaat Overzee"Thuisfront"en "Opmars" en een fragment uit:  'Dat was jij marinier 'door Wim Dussel.

Een deel uit het boek: Mijn Indische Mariniers Jaren.

Op 3 oktober 1914 werd Arie Verouden in Delft geboren.Op 11 april 1933  ging hij naar de Marinierskazerne aan het Oostplein  in Rotterdam en ging daar een vrijwillige verbintenis aan als Marinier der derde klasse [ beroeps ].

Op 11 juli 1934 vertrok hij met het ms:"Sibajak" naar het voormalig Nederlands-Indie waar hij terecht kwam bij de Marine kazerne Goebeng in Soerabaja op het eiland Java.Al snel werd hij bevorderd tot Marinier der tweede klasse.Een van zijn dienstmakkers daar was Arie Nowee die net als hij kwam van de Marinierskazerne uit Rotterdam.Arie Nowee had daar het vak van Tamboer geleerd en gaf op de wal en op marineschepen dagelijks tal van signalen zoals "vlagheisen" , "olieladen"enz.Voor de mobilisatie in 1939 liep het zesjarig contract van Arie Nowee af en   is hij in Delft gaan wonen en tijdens de oorlog is hij in het verzet gegaan als sectiecommandant van de Binnelandse trijdkrachten.Na de oorlog ging hij terug naar de Marine als korporaalinstructeur voor de tamboers van de nieuwe mariniersbrigade en is tot 1949 in Nederlands-Indie gebleven.  In 1935 werd Arie Verouden geplaatst op het Marine vliegkamp Morokrembangan op Soerabaja en in 1936 werd hij bevorderd tot Marinier der eerste klasse.Op 8 september 1937 vertrok hij met ms."Dempo"uit Nederlands-Indie en werd in Nederland  geplaatst bij de Afdeling mariniers in Rotterdam.

Op 17 november 1937 werd hij geplaatst bij de Marine kazerne Willemsoord in Den Helder en in april 1937 kort achterelkaar geplaatst aan boord van Hr.Ms. "Gelderland" en Hr.Ms."Wachtschip Vlissingen".Op 7 juli 1938 had Arie een verzoek ingediend om geplaatst te worden op de opleiding tot hofmeestermaat; maar dit verzoek werd niet ingewilligd.In Vlissingen heeft hij in het Bellamypark  zijn vrouw ontmoet en trouwde daar op 23 augustus 1939.Arie ging met zijn vrouw, bij zijn schoonouders,in Vlissingen wonen en het jaar daarop werd hun eerste kind Henk geboren.In dat jaar 1939 werd de algehele mobilisatie aangekondigd en in april 1940 daarop is de vrouw van Arie met hun kind en haar ouders,broer en zus naar Delft gegaan.De vader van Arie had daar een huis geregeld in de Kerkstraat naast de Nieuwe Kerk op de Markt in Delft.Het was een lange tocht, lopend tot vlak aan Rozendaal .Daar kwamen ze terecht , samen met andere evacuees , in een grote schuur waar ook een Frans detachement aanwezig was.Na een paar dagen konden ze met  een trein naar Delft.Op 29 februari 1940 werd Arie voorgedragen voor plaatsing op de opleiding tot ziekenverplegersmaat.Arie was in mei 1940 nog steeds op het Hr.Ms."Wachtschip Vlissingen".Na de capitulatie is hij ,na eerst een paar weken thuis te zijn gweest, via Bergen op Zoom en Breda naar Den Haag gegaan.Op 10 juni 1940 werd Arie geplaatst bij het Marinedetachement te Den Haag en op 15 juli 1940 werd hij bij maatregel van de bezetter uit de zeedienst ontslagen onder toekenning van wachtgeld.In juli 1941 werd het tweede kind geboren,een dochter,Jorina en  in februari 1943 een derde kind,een zoon,Jan.Toen woonde zij inmiddels in de Westerstraat 55 naast het huis van Arie's vader nr.57.

Op 13 mei 1943 melde Arie zich in het Wehrmachtslager te Amersfoort waar hij, net als zoveel militairen ,een Duitse krijgsgevangene  werd.Diezelfde dag werd hij overgebracht naar Duitsland waar hij terecht kwam in Stalag X1A te Altengrabow.Op 27 mei 1943 werd hij overgebracht naar Stalag VA te Ludwigsburg bij Stuttgard. In oktober 1943 is Arie vanuit Stuttgard ontsnapt en gevlucht en had hij geprobeerd om in Holland te komen.Dit was hem echter niet gelukt.Eind december 1943 werd hij in Bietigheim opgepakt door de Gestapo en naar een vluchtelingenlager overgebracht.Half januari 1944 werd Arie in het militaire gerechtshof te Ludwigsburg berecht tot twee jaar gevangenstraf.Tijdens de verhoren in de gevangenis ging het er hard aan toe en de Duitsers hebben hem geslagen, geschopt en op hem ingebeukt Met een revolver tegen zijn slaap aangedrukt hebben ze hem gedreigd dood te schieten en uiteindelijk met de kolf van de revolver een groot deel van zijn tanden uit zijn mond geslagen.Arie bleef op alle vragen slechts zijn naam , rang en marinenummer herhalen met wat aanvullende informatie zoals "je ouwe moer".Eenmaal weer in zijn cel kwam een bewaker hem een stuk brood brengen en reikte deze Arie aan. Net toen hij deze wilde aanpakken gooide de bewaker het stuk brood vlak voor Arie zijn voeten op de grond en bleef hem strak aankijken.Toen Arie zich bukte om het stuk brood op te rapen kwam de bewaker een paar stappen naar voren en ging er met zijn laars op staan.De bewaker bleef Arie met een tergende greins aankijken en verpulverde het stuk brood onder de smerige zool van zijn laars.Arie werd  witheet maar wist zich te beheersen want anders zou het helemaal uit de hand gaan lopen.Zo hebben ze een poos ,zwijgend en elkaar aankijkend, tegenover elkaar gestaan.Uiteindelijk is de bewaker weggegaan en heeft Arie, die stierf van de honger,alsnog de verpulverde resten van het brood opgegeten.Tijdens de strenge winter van 1944 heeft Arie een longontsteking opgelopen.Veel van zijn medegevangenen waren Fransen.Begin april 1945 kon Arie voor een tweede keer ontsnappen.s'Nachts op de vlucht en zich overdag schuilhoudend.Zijn onderduikadressen waren in Stuttgard, Ulm en Straatsburg.Onderweg gapte hij eens een kippetje  van een erf om te overleven.Toch zaten de Duitsers hem deze keer ook weer op de hielen en moest hij zich schuilhouden in een morturarium waar hij vlakbij  in de buurt was.Noodgedwongen is hij toen in een kist gekropen en heeft daar benauwde uren doorgebracht want hij was bang om levend begraven te worden.Toen uiteindelijk alles stil was is hij tevoorschijn gekomen en vervolgde zijn vlucht.Na de bevrijding is Arie vanuit Duitsland via Frankrijk en Belgie naar Holland gegaan..Bij zijn thuiskomst op 21 april 1945 had hij een lepel en een vork bij zich die hij uit het kamp had meegenomen.Aan de achterzijde van de lepel staat:"KODAK   DR.NAGEL  STUTTGARD"  en aan de achterzijde van de vork staat:" art .krupp    berndorf   KODAK  STUTTGARD".Op 11 mei 1945 melde hij zich te Breda waar ze hem met verlof stuurde. Op 13 mei 1945 was Arie weer in dienst als Marinier en werd geplaatst bij het Commandement der zeemacht in Nederland.

Op 20 maart 1946 vertrok Arie Verouden met ms."Boissevain"vanuit Nederland naar het voormalig Nederlands-Indie .Tegen het eind van dat jaar werd zijn vierde kind Aad geboren wat hij vernam via radio Bandoeng.Arie kwam  ,als Korporaal,samen met zijn dienstmakker Piet Waasdorp aan op 25april dat jaar te Soerabaja op het eiland Java.Vlak bij de haven van Soerabaja liep een grote weg genaamd de Perak boullevard welke uitkwam bij een tennisveld en daar rechts van lag een modelkampong.Deze kampong bestond uit moderne huisjes, de zogenaamde twee onder een kap, die oorspronkelijk bedoeld waren voor de bevolking van Soerabaja en toen als onderdak voor de Mariniers moesten dienen.Arie werd geplaatst bij de staf van de Amfibische Compagnie die uit zo'n 150 man bestond.Tijdens acties werd de Compagnie opgesplitst in groepen van 10-15 man ter ondersteuning van andere Compagnieen.Arie en Piet deelde een kamer van zo'n twee onder een kap woning en de woning naast hen werd bewoond door de Sergeant.Deze Sergeant, een jonge man van rond de twintig, was John Heitzer waar ze het goed mee konden vinden.Arie en Piet waren de twee oudste van al de Mariniers daar en werden vaak voor de grap 1665 -ers genoemd naar de oprichtingsdatum van het Korps Mariniers.Arie speelde graag met de andere Mariniers een bekend boordspel genaamd "banzaai"en de inzet was vaak een flesje bier.Arie scheen er erg goed in te zijn geweest.Hij stond ook bekend als een man die altijd wel in was voor een geintje en een persoon die niet tegen onrecht kon want dan kon hij witheet worden.Arie gaf op het terrein excercitielessen en een van deze jonge Mariniers was Sander Kentie[zie ook de foto].Later was Sander Kentie bij Arie in de Compagnie op Madoera in 1947 om daar de boel in orde te brengen nadat men het daar onder water had laten lopen.Er werd ook patrouille gelopen en tijdens een van zo'n patrouille had Arie wat jongens vooruit gestuurd om eerst de boel te gaan verkennen.Toen na een poos de mariniers niet terug kwamen is Arie hen met de andere mariniers gaan zoeken.Na uren in de brandende zon te hebben gelopen hebben ze de vermiste mariniers vermoord en verminkt teruggevonden.Tijdens een actie stond er een dorp in brand en Arie die zag dat er kleine kinderen in een van de brandende woning waren die te klein waren om zichzelf te redden bedacht zich geen moment en is de kinderen gaan helpen en kwam hij veilig met hen naar buiten.Na deelgenomen te hebben aan de Politionele Acties in het voormalig Nedrlands-Indie is Arie Verouden per ms."Zuiderkruis"op 4 april 1948 naar Nederland vertrokken en kwam daar aan op 27 april 1948.Onderweg in de volle trein naar huis stelde Arie beleefd aan een oudere dame voor om op zijn plaatst te gaan zitten.De dame in kwestie weigerde dit met de woorden:"Ik ga niet op de plaatst van een moordenaar zitten".Een mede treinreiziger ging zich ook nog eens met de zaak bemoeien wat uitliep op een handgemeen waarbij de man Arie met een flesje bier op zijn hoofd heeft geslagen.Uiteindelijk kwam Arie thuis met een gat in zijn hoofd en een hersenschudding.Kort daarop werd Arie geplaatst bij het Depot korps mariniers te Rotterdam.

Met ingang van 1 april 1949 werd Arie Verouden bevorderd tot sergeant en heeft op verschillende marine locaties opleidingen gegeven.In de periode van 1954 tot 1955 was hij op de Nederlandse Antillen en geplaatst bij de Marinekazerne Savaneta.Als Arie vertelde over de mariniers die hij opleidde sprak hij altijd met een vaderlijke toon over "zijn jongens".Menig keer als hij herinneringen ophaalde zei hij :"Het waren allemaal fijne jongens, stuk voor stuk, allemaal!"De Mariniers in opleiding hadden aan Arie een goede sergeant die wel tegen een geintje kon mits het niet te dol werd gemaakt.Arie is eens witheet geworden toen hij er achter kwam dat een groep het gezicht van een nieuweling met schoenpoets had ingesmeerd.Deze nieuweling heeft een poosje als Zwarte Piet erbij moeten lopen.Arie zag er ook op toe dat de kastjes in de slaapzaal er ordelijk en schoon uitzagen voor inspectie.Waarschijnlijk luktte dit niet altijd met de schone zakdoeken en kammen en Arie had er persoonlijk voor gezorgd dat dit in orde kwam.Hij had voor al zijn jongens nieuwe zakdoeken en kammen aangeschaft, betaald uit eigen zak , zodat deze er ten alle tijden keurig en ongebruikt in de kastjes zouden liggen.De oude zakdoeken en kammen kon men gewoon gebruiken en zo zouden er met inspectie geen verfrommelde en gebruikte zakdoeken en  kammen meer in de kastjes aanwezig zijn.Het probleem van onordelijkheid was daarmee opgelost.Arie was een man van orde, regel en netheid.Als de marinelocatie dicht bij zijn huis was nam Arie wel eens een groepje mariniers in opleiding mee naar zijn gezin voor een bak koffie.Het kwam wel eens voor dat het verlof van zijn jongens te kort was om naar huis te reizen en in dat geval was er altijd een plekje in het gezin om te eten en te overnachten.Er werd dan menig keer een kaartje gelegd , een borrel gedronken en uitsmijters met gebakken spek verorberd die hij persoonlijk voor zijn jongens klaaarmaakte.Hij had daar lol in.Arie heeft ook een periode een Harley Davidson gehad , met zijspan, waar hij mee naar de marinelocaties ging.Er heeft een foto bestaan waarop hij met andere mariniers een pyramide vormde bovenop de Harly Davidson.Op de Marine locatie in Doorn was Jan Buis een kamaraad van hem en is dat na de marinetijd ook gebleven.Deze Jan Buis heeft jongens opgeleid in Camp Lejeune/Amerika om als mariniersbrigade naar Nederlands-Indie te gaan.Arie zat in die tijd krijgsgevangen in Duitsland.

In 1958 kreeg Arie gezondheidsklachten en is opgenomen in het Militair Hospitaal Overveen.In dat jaar is zijn vijfde kind geboren[nakomertje]Marga.Omdat de gezondheidsklachten bleven is Arie, nadat hij bij de Sociaal Medische Dienst in Leiden was geplaatst, op 1 juni 1959 eervol ontslagen uit de zeedienst ten gevolge van gebreken.Als afscheid heeft Arie van zijn jongens een radio gehad.Ze hadden allemaal wat bij elkaar gelapt voor dit geschenk. De radio heeft jaren thuis in de woonkamer gestaan.In 1960 werd er nog een nakomertje geboren,dochter Anja.Deze twee jongste kinderen hebben hun vader van heel dichtbij meegemaakt want toen de oudste kinderen opgroeiden was Arie veel weg wegens zijn beroep en de oorlog.Op schoot bij hun vader hebben de twee jongste kinderen vaak de Ned-indie fotoalbums ingekeken en de verhalen gehoord wat altijd weer spannend was en een enorme indruk maaktte.Arie is altijd zijn verhalen blijven vertellen ,ook over zijn krijgsgevangenschap in Duitsland.In de periode dat Arie thuis was, was er wel regelmatig contact met mensen uit het Korps.De Kerstpaketten werden ieder jaar weer persoonlijk gebracht door Dhr.Zuidema of Molenaar[ ? ].Ongeveer in 1970 is er thuis een marineman geweest die de verhalen van Arie heeft opgeschreven ,of deze bewaard zijn gebleven is onbekend.Arie had in die periode last van nachtmerries.Het Indie verleden ging hem opspelen.Ook hij was net als zoveel andere Indie-veteranen nog steeds "op patrouille".Hij heeft wel altijd veel over zijn Indie ervaringen kunnen praten maar heeft hiervoor uiteindelijk hulp gezocht.Ondanks dat Arie niet meer bij het Korps was is hij altijd een Marinier gebeleven, orde ,regel en netheid bleven altijd bij hem hoog in het vaandel staan.De Nederlands-Indie periode is hem altijd bijgebleven , de twee jongste schoonzoons,die zelf van Ned-Indische afkomst zijn [ hun opa was werkzaam geweest bij het Gouvernement in Ned-Indie] hebben ook altijd de verhalen mogen aanhoren.Arie heeft tegen het einde van zijn leven veel Maleis gesproken en is na een ziekbed, thuis , op 16 februari 1988 in Delft overleden.Met hem is een oprecht eerlijk man en daarbij een lieve,zorgzame vader heengegaan.De herinneringen aan hem blijven bestaan in deze site, die hopelijk in de toekomst aangevuld gaat worden.Als het mogelijk was geweest om de persoonlijke Ned-Indie foto's op deze site te plaatsen was dit zeker gedaan.

 

Tot slot heel veel dank aan een ieder die het mogelijk heeft gemaakt om deze site te kunnen maken.

 Arie Verouden met dochter Marga.  ( de webmaster ) 

Foto's, verhalen , linken of verdere info kunnen aan de webmaster gemaild worden.

GASTENBOEK.               WEBMASTER.

Naar  TOP.

THUISFRONT.

 

Fragmenten uit Soldaat Overzee.

Bron: Soldaat Overzee, vierde druk april 1948.

 

 

 

 

"Thuisfront" is tot een begrip moeten worden.

In ons land, dat oorlogsmoe zich te voorschijn sleepte uit vijf jaren bezettingstijd, bestond niet genoeg belangstelling voor het probleem Indie.

De oude fout die zich duizendvoudig  wreekte in deze crisistijd.

Nooit had Nederland te voren voldoende aandacht besteed aan de voorlichting over zijn Overzese gebiedsdelen; nooit werd het volk intensief gemoeid in wat reilde en zelde overzee.

Het bleef bij de verhalen over hitte, muskieten, slangen en bruine vrouwen waar je voor op moest passen; het bleef bij de aardrijkskunde dat Batavia de hoofdstad was en er koffie en suiker vandaan kwamen; bij de geschiedenisles over de V.O.C. en Jan Pieterszoon Coen; bij het onsje nootmuskaat bij den kruidenier en het weinig bezochte Koloniaal Instituut te Amsterdam.

Het volle gewicht van de terugslag viel op het handvol avontuurlijke oorlogsvrijwilligers, dat met de rug tegen de muur verbeten vocht om er nog iets van te redden.

Nederland begreep er niets van.

Slechts een kleine kliek begon zich intensief te bemoeien met de gang van zaken; er vielen woorden als?moordenaars?, toen het doordrong dat zij, die kreupel-en wond-geschoten van boord werden gedragen,weerloos waren;  laffe kalkers schreven smerige lastertaal op paketten lectuur die voor de troep overzee bestemd waren.

Het overgrote deel van ons volk haalde de schouders op en zei: _Wat koop je ervoor?_

Terwijl dagelijkse patrouilles in hitte en modder voortzwoegden, langs de convooi-wegen piepjonge chauffeurs een epos schreven,een jongen stierf, en een heel volk in ellende dreigde ten onder te gaan, verscheen in een krant een artikel van een halve kolom over een juffrouw, die bij het naar bed gaan haar kleine teen verstuikte en in het ziekenhuis moest worden opgenomen.

 

Tot langzamerhand een weinig begrip begon door te dringen;er kwamen gesneuvelden-lijsten in de kranten; soldaten schreven brieven; bladen namen reportages en foto?s op.

Niemand in Nederland wilden geloven in een oorlog.

Maar een bekende Nederlandse journalist, die zes maanden bij de troep rondzierf, schreef in zijn afscheidsartikel: _Voor zover er hier sprake is van?oorlog?, was het de miserabelste, meest halfslachtige, meest eindeloze en meest geestdodende sluipschutteroorlog waarvan ik hoorde, Zelden ook waren de acties meer gerechtvaardigd en zelden ontmoetten zij, die ze met zoveel zelfbeheersing uitvoerden, bij een deel der natie zoveel ondank en wanbegrip_.

 

 

En toen eenmaal de vonk in de pan was geslagen, wakkerde het vuur tot een brand uit.

Kijvende stemmen werden gehoord en het typisch democratische Nederland stond weer op de kop.

Eenmaal zei mij een soldaat: _Toen wij in Nederland een negatief doel voorstonden, _het wegwerken van den Mof_,was ons volk EEN. Nu wij voor een positief doel staan, een opbouwende zaak, zijn wij weer in honderd kampen verdeeld_.

Meer troepen kwamen. Onafgebroken voeren troepen-transportschepen af en aan;steeds meer troepen en materiaal werden gedebarkeerd in de Indische havensteden.

In brede lagen werd ons volk tegen wil en dank betrokken bij het gebeuren,omdat steeds meer Nederlandse jongens de gevlekte overall aantrokken en het vechtpetje achter op het hoofd plakten.

De soldaat vaart er steeds beter bij.Men begint belang in hem te stellen.

Bladen en tijdschriften publiceren regelmatig artikelen en foto?s van het leven van den soldaat.Want dit is het,wat het Nederlandse volk dient te begrijpen: _deze crisis wordt afgewerkt door den simpelste van zijn zonen. De doodgewone soldaat, die verre van buiten het gekrakeel,verre van alle gemak en normale levensverhoudingen zijn werk doet,zijn vermoeienissen ten dele wegslaapt in een onooglijke bamboehut en zich somtijds opvreet van heimwee naar enig begrip.

 

In Nederland zijn verenigingen ontstaan, die het belang van den soldaat voortstaan. Voor het merendeel onstonden deze verenigingen uit particulier initiatief. Zoals de Band Nederland-Indie,  het Katholiek Thuisfront,  het Protestants Interkerkelijk Thuisfront e.a., die regelmatig bijeenkomsten houden,  lezingen en filmvoorstellingen over Indie en het leven van de soldaten arrangeren en nauwe betrekkingen aanhouden met de troep in Indie.

Er zijn stedelijke verenigingen en studentenkorpsen, die bataljons ?adopteren?.

Er is de NIWIN,  die inzamelingen houdt voor de aankoop van radio?s,l ectuur, cantinewagens en filmapparaten voor de troep, die Kerstpaketten verzorgt en al wat niet meer.

Niemand wil bij den ander achterblijven, een ware rage is in Nederland ontstaan om steeds meer, beter den soldaat, den landszoon te verzorgen.

Ons Nederland is een waarlijk ?thuisfront?geworden, dat onze zieken en gewonden luisterijk verwelkomt als zij van het hospitaalschip worden afgedragen; dat ons voorziet van alles wat wij nodig hebben, dat begrip toont en medeleven.

Wij willen niet zeggen:  eindelijk ten leste.

Alle omstandigheden hebben in het verleden tegengewerkt;  niet ons volk droeg de schuld van maanden-lang wanbegrip en ondank,  van lauwe onverschilligheid en gesmijt met modder.

Wij zijn slechts dankbaar dat het nu beter is en staan sterker dan ooit te voren.

Maanden lang , een vol jaar,hebben wij alleen gestaan en wij hebben doorgezet, omdat wij wisten dat alles, wat wij deden, goed was en rechtvaardig.

Nu ons volk toont, dat het dit begrepen heeft en daarom achter ons gaat staan ,zal alles goed komen.

 

NIWIN-paketten! Een golf van blijdschap sloeg overhet leger, toen de tienduizenden Kerstmis-paketten kwamen. De paketten gingen overal heen, buitengewesten en vooruitgeschoven posten hadden de eerste prioriteit;  kustvaartuigen en vliegtuigen werden ingelast, opdat elke soldaat, of hij geboren was in Haroekoe of in Broek-in-Waterland, dit bewijs van medeleven van het thuisfront op tijd zou ontvangen.

Talloze dankbrieven werden er door de opgetogen soldaten geschreven,  het kon niet op.

Met deze ene geste was meteen de kloof overbrugd.

Een eenzame post , ergens in een uitgestorven en beruchte buurt, kreeg via de verbindingsdienst een seintje van het bataljonshoofdkwartier: _Jongens! d?r is een lading Kerstpaketten voor jullie hier!_

Het was eerste Kerstdag, vier uur s?middags; de commandant knikte: _Ga je gang maar!_en een truck raasde al op twee wielen de poort uit.

De chauffeur en zijn maat, beide gewapend en bleek van opwinding.

Kerstpaketten uit Nederland! _Anderhalf uur reden zij over de slechte,  eenzame weg tussen de stijle , begroeide heuvels.

Op de bataljonspost lagen de paketten gereed; een kwartier later stoof de truck alweer weg met twee juichende soldaten en de laadbak vol pakketjes met feestelijke hulst-plakkaatjes,

Halverwege liepen ze in een hinderlaag. Een regen van grote stenen hagelde in de cabine, pal bij een scherpe bocht toen de chauffeur moest afremmen. Meteen zaten de sloebers bovenop de wagen. De soldaten grepen naar hun wapens maar het was te laat. Kapmessen suisden neer.

Toen stoof een tweede truck te voorschijn; niemand wist waar die vandaan kwam; de kloppende bende bij de overvallen truck en de pasgekomen ploeg waren alle even verbaasd

Maar toen renden de terroristen reeds naar alle kanten weg, kregen enkele kogels na en de twee soldaten wisten zich het zweet van het voorhoofd. Herinnerden zich plotseling weer de pakketten en gingen er in reuze vaart vandoor.

Pas nadat de fourier alle pakketten in ontvangst had genomen te midden van de opgewonden troep,l ieten ze zich door den hospik meesleuren om de wonden te laten behandelen.

Dat betekent het simpele bewijs van medeleven voor den soldaat.

 

Kerstmis is een feest van verrassingen geweest.

In Palembang vierde de troep juist een feest met zeventig weeskindertjes in het Charitas-ziekenhuis, toen de grote vechtpartij begon.

Zij kregen hun chocolademelk en oliebollen van de zustertjes , terwijl ze achter de mitrailleurs lagen te schieten.

In andere posten werden de soldaten van de geimproviseerde kerstbomen weggehaald voor en plotselinge patrouille of alarm.

En dan waren er de verrassingen van de kerstpakketjes. Vele schoolverenigingen hadden namelijk het initiatief genomen, om de kinderen pakketjes te laten klaarmaken met een gewicht van 1 kilo en een ingesloten brief aan den onbekenden soldaat. Een kapitein,  vader van drie kinderen, maakte zijn pakketje open en vond er een boek in: _In de wouden der Germanen _Beste vriend_.

Er was een reus van een Brabantse jongen van de nieuwe devisie, de de eerste Kerstdag plotseling moest uitrukken met zijn peleton. Die dag vuurde hij voor het eerst met zijn bren op levende doelwitten en twee centimeter van zijn onbeschermd hoofd was een mitrailleurbundel in de takken geslagen. Doornat van zweet en modder en opgewonden van de vuurdoop, kwam hij bij het bivak binnen; een makker schreeuwde hem toe: _He Bulldozer, d?r ligt een kerstpakketje op je krib!_

De reus was de barak reeds binnengestormd, bekeek glimmend van plezier het pakje met ?Hartelijke groeten en Zalig Kerstfeest van de Gereformeerde Jongensschool te daar-en daar?.

Terwijl hij het papier wegscheurde, schepte hij nog tegen zijn slapie op: _Joh, ik dacht heus dattik ?r geweest was..._en toen haalde hij een boek te voorschijn. En staarde in plotselinge sprakeloosheid naar de titel: _Wilt Gij ook naar de Hemel?_

 

 

Thuisfront.

In alle mogelijke vormen openbaart zich thans dit begrip, maar geen schakel in de band tussen de soldaat overzee en het volk is zo sterk als de brief.

In een brief van thuis liggen  het moreel en de gevechtswaarde van den soldaat,z ijn verdriet en machteloze woede, de vreugde en de warmte van zijn hart. Thuisfront kan den soldaat maken en breken met zijn brief. Hij verdrinkt zijn laatste cent als de verloving is verbroken;  en teert weken op een hartelijke , lieve brief van de vrouw, waar het zoontje in onhandige hanepoten iets onder geschreven heeft.

Brieven van thuis...

Op Nieuwjaarsochtend kreeg de ingesloten stad Padang bericht, dat er een schip met post was binnengelopen. De weg naar Emmahaven is deerlijk gehavend, maar al te vaak ondermijnd en stond toendertijd nog berucht onder de naam van?dodenrit?.

Op deze eerste dag van het jaar reed er geen gewapend convooi naar Koninginnebaai; maar de troepen stonden al op de kop van de zenuwen. Na weken eindelijk post.

Vrijwilligers melden zich :i nfanteristen, genisten, verbindingsmensen.

Er was juist voor den kok in de keuken geblazen. Een chsuffeur rende de barak uit met zijn mess-tin in de hand, drong langs de rij wachtenden naar voren: _Jongens, mag ik even voorgaan? Ik moet de postwagen rijden_. Iedereen ging opzij; toen hij achter den kok stond, doodde hem de kogel van een sluipschutter.

Twee trucks reden weg. Na uren keerden zij onder het stof en gehavend terug. Een opgewonden troep stond hen op te wachten: _Gooiop, die pstzakken!_

Maar eerst moesten twee doden uitgeladen worden.

Het was Nieuwjaarsdag 1947 en er waren brieven voor hen bij.

 

 De NIWIN kerstpaketten in Priok om te verzenden.

 

Naar  TOP.

 

OPMARS.

 

Fragmenten uit Soldaat Overzee.

Bron: Soldaat Overzee, vierde druk april 1948.

 

Maandagmorgen, 17 maart 1947, vijf uur.

_Stootpeleton voorwaarts!_

_Voorwaarts naar Modjokerto,_zegt een Brenschutter opgewekt.

Zijn helper is pessimistischer:_Modjokerto zei?t ie!zet dat nou rap uit je gekke hoofd.

Zulke vette happen daar zijn alleen de Mariniers op geabonneerd.Jan van de Landmacht mag alleen de vuile rommel wat aan kant bijvegen.

Let ?s op:vanavond lig jij weer rustig op je tampatje in Legoendi.Modjokerto! lauw kans, vader..._

_Monden dicht, afstanden vergroten, wapens in aanslag..._

Van mond tot mond fluisterd het bericht langs de colonne.Spanning.

Ergens murmeld een verbindingsman:_Hallo Hein, hallo Hein; hier is Jan. Geef je positie. Overrr..._

Door de koptelefoon kraakt de positie binnen. Hij heeft het moeilijker; banjert met zijn compie van de weg door de sawahs.

Ze zijn al achtergeraakt bij het stootpeleton, dat langs de hoofdweg oprukt.

We kruipen dus maar langs de wegkant en wachten, tot Hein is bijgetrokken.

Wachten. Wachten betekent praten. Er heerst een opgewonden stemming over de punt-vijftiger, die we daarnet zonder een schot te lossen hebben buitgemaakt. Helemaal compleet, geladen en wel.

In het bamboehuisje daarnaast stonden half leeggegeten bordjes met mais en suiker.

Aan de wand hingen Japanse helmen en netten, die ze bij de TNI als ransel gebruiken.

Op de weg inderhaast-uitgeschopte schoenen en sandalen. Op blote voeten schijn je harder weg te komen.

 

Beweeg langs de wegkant. Voorwaarts. Behoedzaam rukken wij op.

Ze weten natuurlijk al lang, dat wij aankomen en je kunt nu elk ogenblik van alles verwachten. De zenuwen kriebelen onder onze nekharen.

De weg ligt vol versperringen. Tientalle omgekapte bomen, brede aarden wallen en vliegtuigbommen.

Hier en daar steken zelfs de gele koppen nog boven de haastig-dichtgeworpen kuilen.

Uitkijken naar trekkoorden en struikeldraden van booby-traps.

En we zien almaar meer schoenen.

Aan de overkant van de weg zit moederziel alleen een jochie van een jaar of vier.

Het huilt erbarmelijk in het wilde weg, als drukt de zorg van heel deze beroerde wereld op zijn magere schoudertjes. Door de stille ochtend blaat zijn dun stemgeluid.

Een stuk krantenpapier met een brok brood en kaas daarin wordt precies tussen zijn knietjes gegooid. Mischien had de soldaat dat nooit moeten doen, want meteen breekt de hel los.

Vuur raast joelend over de open weg. Met nijdige, felle tikken slaan de kogelbundels in bomen en wegdek; dat is een zware mitrailleur; daartussen door kraken karabijn-en stenschoten.

Het kind is opgehouden met huilen.

Meteen is het peleton van de aardbodem weggevaagd; spoorloos heeft de aarde de soldaten opgeslokt. Als er even een vuurpauze is, licht ik het hoofd op. En staar naar het wonder. Vier meter van mij af zit het jochie en pulkt onverstoorbaar kruimel na kruimel uit de boterham.

Weer loeit het vuur over ons heen , maar ik moest blijven kijken naar dat jongetje.

Later bedenk ik dat ik als held dat dekselse kind had moeten wegslepen onder vol vuur. Maar ik blijf alleen maar kijken.

Pal boven zijn hoofd klets een hele stoot vuur in de houten alarmstroom van het wachthuisje, waar hij voor zit. Een paar meter verderop ratelt een bren; nog een eindje verder slingert een lichte mortier de granaten weg.

Lanchesters en stenguns knetteren, maar het kind blijft eten. Vol overgave en tevreden.

Als wij even later weer oprukken, zit het kind er nog. Het kijkt niet op of om.

Het knabbelt zoet aan de korst en is ongedeerd. Ik wou dat ik een snoepje voor hem had.

 

De opwegmars is getekend door weggegooide schoenen en sandalen.

Versperring na versperring; telkens stuiten wij op tegenstand. Hoe lang duurt dit nu al en waar was het begin?

Waar zal het einde zijn? Weer een versperring; verderweg begint een bren te ratelen.

En dan opeens:_ Ziekenverpleger!! Verbinding, verbinding! Hospik! Verbinding, verbinding, waar blijft die vent nou?_

De hospik rent gebukt naar voren. Wat ziet hij er uit. Kruipende werkt hij iemand van het wegdek af, sleept hem achter een muurtje.

Het is de verbindingsman waar zo om geroepen werd. Hij ligt roerloos, een aangrijpend-onzijdig ding, net of hij er niets meer mee te maken heeft.

De hospik zegt overbodig:_ Hij is dood..._en dekt hem af met een tentzeiltje.

Iemand anders koppelt de draagbare radioset reeds om.

_Hallo Hein, Hallo Hein, hier is Jan. Beroerd, wij hebben een dode en een gewonde. Stuur den sergeant-hospik naar voren. Wij gaan voorwaarts_

Het stoorpeleton trekt weer verder. Achter ons lopppast iemand.

De sergeant-ziekenverpleger.

 

Voor Perning lopen wij vast in artillerievuur. Dan komen de fireflies in actie.

Ze scheuren uit de hemel te voorschijn; loeiend brullen hun motoren als ze laag over de boomkruinen scheren en op zoek naar de batterij. De stukken moeten goed gecamoufleerd zij; het wachten duurt lang.

Niets is zo funest voor de zenuwen, als werkeloos te moeten afwachten onder artillerievuur.

Ik ga naar den gewonde kijken. Ze hebben hem op een brancard in een huis gelegd, bezijden de weg. Een sigaret in de mond, hij luistert naar  het barsten van de granaten,

_Hoe is het ermee?_,_Best, geef ze meteen van mij op d?r flikker..._

Hij kauwt op de sigaret en wendt het gezicht af.

Buiten gieren de granaten. Nu van beide kanten; daar tussen door hamert telkens het doffe?doedoedoedoek?van mitrailleurs van de fireflies.

Bij elk artilleriesalvo drukken wij ons plat tegen de grond.

In elke kuil liggen een paar soldaten, langs de wegberm liggen een hele ris doodstil achter elkaar.

Eindelijk resultaat: een doffe dreun, een zwarte rookkolom die uitwaaiert boven de boomgroepen. De batterij zwijgt. In onze opluchtig zouden wij de vliegers zo de hand willen drukken. Eerst later horen wij dat de artilleriebezetting zelf de bunker heeft opgebelazen en met het stuk er van door is gegaan. Weer een rijtje schoenen op de weg.

_Hallo Jan, Hallo Jan, Jan voorwaarts..._

Wij gaan weer voorwaarts.

 

Als wij de suikeronderneming Perning binnenrukken, staan de andere compagnieen er al.

Die zijn over de open sawahs gegaan; ze hebben gebaggerd en zijn uitgegleden, soms hebben ze tot aan de nek in de smurrie gelegen, herhaaldelijk dekking zoekend tegen hevig vuur.

Maar ze zijn voor ons gekomen.

We hebben even tijd voor:_Ha die Kees en ha, die Jan, zo leef jij ook nog?..._ en dan gaat het regenen. Het is niet zo heel erg, wij zijn toch al doornat. Van sawahmodder en zweet.

Wij voelen ons onbeschrijfelijk smerig. Een treurige infanterist uit een net gezin vraagt:_Heb de fourier wat vlekkenwater voor me bloessie?_

 

Met z?n drieen hebben wij broederlijk de stoep gedeeld van het huis, waar inderhaast de commandopost is opgeslagen. Als de tweede compie voorbij komt sjokken, begint mijn buurman onbedaarlijk te hinneken. En prompt staat een vieze geweerschutter stil en schraapt verheugd zijn ?voorbeen?door de modder.

_Da?s me beste vriendje,_ grinnikt mijn buurman.

_ Een ander zegt dag! met ?t handje, maar wij doen het zo-.

Ik knik vermoeid van ja en doe of ik het begrijp. Ik ben altijd zo?n beetje huiverig geweest van paarden.

 

De ?sterren?, die in het veld gewoon Ad, Hein, Dries, Ton en zo heten, zitten druk te beraadslagen over hun veldkaarten.

De verbindingsmannen geven eindeloze verhalen weg; ze kletsen zo maar tegen de loodgrijze hemel en het gekke is dat ze nog antwoord krijgen ook.

Jan de blubberkruiper zit nu genoeglijk uit te blazen en is direct bereid het leven niet meer zo sjaggerijnig te vinden.

De huisjes zitten stampvol soldaten, die dampen van modder en zweet.

In een klein etensstalletje zit een hele sectie gewrongen. Er slenterd iemand naderbij, het hele gezicht glanzend van hoopvolle verwachtingen.

_Hebbe al wat te koop, Kees?_

_Nee buurman, je mot nog een pietsie geduld houwe, het is met de aanvoer weer niks gedaon.

Die rot-militeere schijne weer bezig te zijn fandaog. Nouw schijne ze de kemissiegernaol ook al van de sokke te hebbe gekletst, maar wij zitte met de gebakke pere. Geen centje te verdiene. Ik zal d?r ?s naor de Waorheid schraafe..._

 

_Verzamelen!_

Daar gaat ?ie weer. Goedgemutst kankert de troep of ze een fesoenlijke Kristenmens nouw geen ogenblikkie asem gunnen.

Wij gaan kijken hoe het buiten Perning staat.

Het is helemaal niet lekker buiten Perning en wij duiken meteen een paar huisjes in. Als je ven je neus buiten de deur steekt heb je hem meteen vol lood. En regenen. Uit mijn borstzak stoomt een beekje. Dat is aftreksel van mijn laatste peloppor-players, heel jammer, want nu heb ik niets meer te roken.

En daar lig je dan. Ga je naar rechts dan maak je goede kans op het Marinehospitaal. Kruip je naar links dan moet je eerst je zwemvliezen uitslaan. Blijven liggen dus en naar de grond kijken.

Ik lig samen met een soldaat. Als we achter die dikke boom gaan liggen kunnen we terug knallen. Om de beurten stuiven wij naar de boom. En kunnen evenmin zien, waar de schoten vandaan komen.

_Verrekt,_ piekert de soldaat hard-op,_dit is nou, wat ik zelf gewild heb, daar heb ik potdorrie vrijwillig mijn poot voorgezet. Recht en veiligheid! In Holland zitten ze met grote treurogen naar het lege kolenhok te loeren en ik lig hier zo?n beetje te mandien in de goot of het niks is_.

 

Het feest heeft een uur geduurd en dan is het donker. Wij baggeren door donker en regen terug naar Perning.

In de suikerfabriek staan de veldbeddeb gereed. Aardige jongens, die TNI-soldaten, die hebben ze voor ons achtergelaten. Met schoenen en sandalen.

Je leert veel in een suikerfabriek. Zelfs dat Meat-and Kidney-puddinkjes met kaakjes-waar we zo langzamerhand al genoeg van hebben-toch lekker smaakt. We krijgen een blikje en zes kaakjes met zijn vieren.

We gaan slapen in onze drijfnatte kleren.

En worden de volgende ochtend droog wakker.

 

En zo is het als vanzelf Dinsdagmorgen geworden.

Volgend marsdoel: Djetis. Daar liggen een paar bruggen, dat kan groor bal met vuurwerk worden.

Maar niets daarvan: de heren zijn verdwenen. Wij merken het pas, als wij voor Djetis liggen.

Wij hebben eerst uren lang door natte sawahs en verregende kampongs moeten trekken, zorgvuldig de hoofdweg vermijd. De grote stilte en ogenschijnlijke rust maken ons argwanend.

Als wij in het gezicht van de bruggen liggen, geeft eerst de KNIL-artillerie een rondje scherpschieten weg. De waarnemers, die de hele weg met ons zijn mee-gebanjerd, staan even tegen hun radiosets te praten en plotseling ruisen de granaten al over ons heen.

We hadden ze niet beter mat de hand kunnen neerleggen. Vier op het ene bruggehoofd, vier op het andere. Wat dreunt dat!

De mortierschutter, die met open mond heeft zitten staren, klapt de kaken dicht, slikt even en geeft zijn helper een knipoog:_As een scheermes, Jan_.

 

Een paar minuten later stromen ze als mieren over de bruggen. Een Nederlandse vlag begint op een van de twee bruggen te waaien. De luitenant staat er als een klein kind naar te kijken.

_Ik zal barsten als ik weet, waar zie die nou weer zo gauw vandaan hebben gehaald_.

 

Rust. Op alle toegangswegen een paar man op wacht. De rest gaat voor zichzelf zorgen.

Baden en een beetje kletsen. De soldaat kan eindeloos kletsen en vervalt graag in diepzinnige beschouwingen, waar hij zelf niets van snapt.

_Wat doen die vuurvliegjes ?t weer lekker vandaag, he? Geen minuut later laten ze je alleen, ze zitten almaar boven op je kop. Hejje die auto?s gezien? Allemaal Engelse drietonners, finaal in de prak geschoten. Dat zijn zeker die karren die wij met onze stomme harses een tijdje geleden aan de republiek hebben gegeven om de geinterneerden uit het binnenland te vervoeren en om rijst te halen. Snap jij d?r nou wat van, Kale?_

 

En opeens zit iedereen te eten. Het is een slechte dag voor de kippenstand van Djetis. De jongens hebben een hele pluimvee verzameling gevonden in een markas ( hoofdkwartier van de TNI ).Het is allemaal geluidloos in zijn werk gegaan, maar het smaakt best en de boutjes kraken tussen de kiezen.

Het blonde korporaaltje van de vierde compie heeft een bak vol suiker gevonden. Ze zijn er zo gek mee, dat ze de kippenboutjes in de suiker dopen en zich het hele gezicht vol smeren.

De buikriemen spannen. Lekker joh!

 

En dan komt het bevel:_ Oprukken naar Modjokerto. In een stoot door_.

Dat hoeft er helemaal niet bij. Jan van de Landmacht knijpt zich eerst in de arm, knippert met de ogen en dan houdt niets of niemand hem meer tegen. Het laatste eindje gaat zonder een centje pijn. Er vallen nog twee of drie schoten , maar ze kunnen zelfs de vizierstand niet eens meer bijhouden op de vluchtende bende.

Dan staan ze bij de enorme sluizencomplexen van Mlirip. De sluizen!!

De Mariniers zijn daar al; die zijn van de andere kant opgerukt, hebben de hele weg in hun kolossale tanks gereden.

_ Hallo Puppes, ook al in de stad? _

Nog een kleine ruk en dan is het gebeurd, maar eerst komt er een regenbui. Mij verlakken ze niet meer. Ik heb van de TNI een regenjas geleend, die hadden ze speciaal voor mij achtergelaten op de brug bij Djetis. Hij is wel een beetje nauw en er zitten geen knopen meer aan, maar als je hem achterstevoren aantrekt, blijf je aardig droog.

 

Over de ontvangst niet teklagen. Er staan ledikanten met matrassen in Modjokerto. Het water stroomt uit de douches in de badkamers. Een aartsengel bazuint rond:

_ Jullie kenne een tinnetje sigarette de man halen, manne!_

En als er dan iemand nog durft vragen:_ Nou nog post!_ rijdt meteen in de regen en modderspatten een onooglijke truck binnen met postzakken.

 

Wij slenteren nog wat rond voor het helemaal donker wordt.

_Kijk-Kijk,_zegt een chauffeur van een Marinierstruck, _de heren van de Landmacht lopen al te passagieren_.

_Passagieren? Man, we sterven van de honger, _jokken we een beetje.

En laat ?een? chauffeur van ?een? Marinierstruck nou net DE chauffeur van DE fouragetruck der Mariniers zijn!

_ Pak an, jongens!_.

 

 

Naar  TOP.

 

'DAT WAS JIJ MARINIER'

 

 

Bron: Uit : ?Dat was jij, Marinier!, door Wim Dussel.

 

Terug naar moeders.

 

Zo komt dan de dag. De laatste , maar dan ook de allerlaatste.

De trucks of de Lintwormen staan voor de poort.

De wagens, die je nog eenmaal mee zullen nemen dwars door Soerabaja heen naar de haven!

Nog eens snellend over Toendjoengan, met z?n frisse witte zakenpanden, zo heel anders dan in 1946.

Vaarwel Hellendoorn, vaarwel Marijkeclub!

Adieu Royal, tabeh Marinierscantine!!!

Juichend gaat daar de truckcaravaan.

Blank en bruin wuift je na, een glimlach op het gezicht , een brokje weemoed in het hart om weer zoveel vertrekkenden...

Och, die Soerabajanen waren nog de kwaadsten niet.

Dan: de bocht naar de Perakweg. Dat is dan ook de allerlaatste stukje Soerabaja.

De trucks snellen voort, de banden gonzen over het asfalt.

De haven!Het schip!Daar ligt het,stil en rustig te wachten...op jou!

Is het niet net een droom?

En in die droom loop jij daar dan naar toe met je plunjezak op je nek, een koffer in je hand en je zweet je de koleere, maar goed, wat zou dat?

De ?Grote Beer?. ?de Zuiderkruis?, ?de Oldenbarnevelt?of de ?Sibajak?of hoe ze maar heten wacht immers?

Dit is zeker het laatste stukje persen?

De loopplank op, mannetje voor mannetje...o, die zware plunjezak...het ruim in...een tampat...boem,weg rotzooi...!

En nou maar weer naar boven, naar de railing. Kijken naar de anderen ,die zwoegen,anderen die ploeteren met hun barang...

De laatste paar uren van je Indie-tijd.

De kade daar beneden. De maten ,die je komen afdouwen, sommigen van de post,die je vorige week pas verliet. Die hebben een dagje van hun verlof eraan opgeofferd...maar dit missen? Nooit!

En daar sta je dan, jij boven aan dek, de anderen beneden op de kade. En je roept elkaar van allerlei onzin to, omdat je toch niet weet wat je wilt zeggen.

Het zal nu niet meer zo lang duren. De fluit gaat al, een keer.

?Nou jongens, het beste maar he en tot kijkes!?De fluit gaat weer, twee keer.

?See you later!Zet ?m op hoor en zo?n tijd! Keep ?m moving!?

De fluit gaat nog weer eens, drie keer.

Tros na tros wordt losgegooid,valt weg, het water in.

Een langdurig?Hoy!!!geroep ( wat moet je ook anders?), een geschreeuw van wat-heb-ik-joudaar, dat elk ander geluid overstemt.

En dan komt daar plotseling het Wilhelmus. Gespeeld door de band op de kade.

Het is opeens uit met het geroep, alles en iedereen staat op hetzelfde ogenblik in de houding. En dan vraag je je af:

Wat is het toch dat me ontroert op dit ogenblik? Wat is het, dat me naar de kade doet kijken, en over de kade heen,  ver achter de goedangs naar Soerabaja en nog verder daarachter, naar de bergen? Is het niet net alsof er in die ogenblikken, die van het Wilhelmus, maanden en jaren in je omgaan?

Beleef je niet in die weinige minuten alles, maar dan ook alles als in een flits nog eens weer?

O, je mag juichen en gillen na die laatste tonen van dat wondermooie lied, je mag losbarsten in een driewerf ?Hoera!. Je mag nog eens voor het laatst?zet hem op, hoor! Roepen naar de kade, naar de mensen,naar de stad, en naar de bergen ginds...

Maar het Wilhelmus...dit Wilhelmus...nee, dat vergeet je nooit!

En daar drijf je dan weg,langzaam de haven uit. Nog sta je te kijken naar de steeds kleiner wordende schepen en goedangs, waartussen de afdouwers?als mieren voortkrioelen tot het uiterste puntje van de uiterste steiger om toch maar zo lang mogelijk te kunnen kijken naar dat altijd weer zo machtig gezicht van zo?n grote schuit, donker silhouet op het glinsterende water tegen de snel dalende tropenzon.

?Daar gaan ze nou; wanneer wij??denkt de kade. En men kijkt en kijkt, tot er niets meer te zien is dan een rookpluim.

En jij staat maar te kijken langs de railing naar alles wat daar vervaagt.

Zolang je nog een puntje van Java ziet, zolang je nog iemand ziet staan zwaaien boven uit  een kraan met een jungle-pet in z?n hand.

Dan word het al gauw anders. De schroeven slaan sneller, op volle kracht gaat het vooruit.

Een breed schuimspoor blijft achter. Het water klotst tegen de boeg, spat op.

Het schip trilt zachtjes.

?Nou jongens, daar gaan we dan!?

?Achtentwintig dagen en dan bij moeders!?

 

In de tijd van de leuze 'OK wij leven mee met de jongens over zee' kregen de troepen in Indie veel aandacht. Eind augustus 1948 kwam de 'Waterman' in Rotterdam aan met aan boord het Groningse bataljon. De minister van oorlog en marine a.i., mr.W.F.Schokking ( geheel links onder), kwam de mannen in de Schiehaven toespreken.

Naar  TOP.

 Het verhaal hieronder toegestuurd gekregen door mijn goede vriend Teus Meijer ( ex-marinier Ned-Indie en Nieuw-Guinea ganger)

                            MIJN INDISCHE MARINIERS JAREN.

Aflevering 17.

 

Herinneringen van een ex-marinier Bertus J.van Gils.

Geschreven door G.J.M.de Hoogh.

 

 

12. Eerste Politionele Actie.

 

Bij een van onze patrouilles door het gebied rond Batoe kwamen we tot de verheugende ontdekking dat er volop verse ?Hollandse" groen­te groeide en ook verse aardappeltjes. Wat zo'n kleinigheid een vreug­de veroorzaakte is onbeschrijfelijk. En natuurlijk werd er naar goede Hollandse gewoonte, gauw, gauw het nodige van gestrietst. Je kent het wel, stiekem om je heen kijkend op de jat-toer en dat in volle oor­logstijd terwijl er niemand in de buurt was om het je te verbieden. Gewoon omdat je zelf heer en meester was en zelf uitmaakte wat je mee wenste te nemen. Niettemin was het zuiver op de striets-toer en naast de Hollandse groente en aardappeltjes, moest er ook een kip aan geloven. Later kookten we met een groepje maten zelf ons eigen Hollandse potje, kippesoep, verse aardappeltjes en groente.

Mijn God of er een engeltje over je tong fietste, dat smaakte vreselijk lekker en we werkten er ook vreselijke hoeveelheden van naar binnen. En dat vreselijke heb ik hier gebruikt met het oog op hetgeen er niet veel later gebeurde. En ook dat was vreselijk, want niet zo heel veel later stonden we er allemaal vreselijk van aan het slingerschijt. Maar op dat moment wist je daar nog niets van en vond je het alleen nog maar vreselijk lekker. En je wreef met beide handen over je pens om de laatste gaatjes op te vullen. Met vlak daarop de straf van het rotzooitje. En je keek elkaar met van die pijnlijk vertrokken smoeltjes aan, wat een rotzooitje zeg! En je bleef kreunen, steunen en schijten natuurlijk, je kompleet leeg schijten. Tot je opnieuw met beide handen op je pens, ditmaal van de pijn, op moest komen voor de wacht of aan moest treden voor patrouille. En maar kreunen en steunen, waar de sergeant uiteraard geen moer mee te maken had. ?Hadden jullie je maar niet zo onbeschoft vol moeten stampen rot­zakken," want de dienst moest doorgaan en had overal en op iedereen voorrang.

En de sergeant verweet ons; ?Wie gaat er nu ook in de tropen zomaar op eigen houtje z'n pens met die troep volstampen," en hij schudde onaangedaan het niet begrijpende militaire hoofd. ?Dat is toch vragen om rotzooi."

Die kregen we dan ook, rotzooi en dat meer dan ons lief was. Maar onbekwaam of niet, evenzogoed werden we op patrouille gestuurd, dat moest wel door blijven gaan. Het werd me anders wel een patrouille vol hindernissen of zo u wenst, waarbij er konstant met niet te onder­drukken noch in te houden hoge nood uit het gelid gesprint werd. En nog voor je de rand van de bosjes bereikte had je de broek al op de hielen hangen. Door de knieën zakken en als een plopper op de hurken liet je alles, met een gezicht dat zowel opluchting als verheer­lijking uitstraalde, lopen. En lopen, vlug een stapje doorlopen deed de rest van de groep dan ook. Omdat het goed te horen was dat je alles liet lopen en te ruiken natuurlijk. We hoefden de route die onze pa­trouille volgde echt niet meer uit te zetten, niet alleen hadden wij dat onderweg al gehurkt gedaan, hij was ook nog eens op de neus, stank dus te volgen. Alleen de stank volstond al om de richting aan te geven. Desondanks douwde je wel de dienst mee hè ­aatje.

De onderlinge verbinding met de landmacht die via Patjet in het Ardjuno gebergte kontakt met ons zou opnemen, moest koste wat kost tot stand gebracht worden. Dat was echt iets van het allerhoogste belang. Het zogenaamde front moest weer een min of meer aaneenge­sloten linie worden. En mocht niet langer bestaan uit op zichzelf aan­gewezen legeronderdelen die strategisch gezien op een eilandje zaten. Dus was onze eerste taak kontakt te zoeken met de landmacht in het Ardjuno gebergte. Ik geloof dat het de jongens van het 3-5-RI waren. Pas nadat we het kontakt tot stand hadden gebracht mocht onze pa­trouille naar Batoe terugkeren. Maar ons kwartier in het Ardjuno hotel was toen al opgedoekt. Daar kwamen we niet meer binnen, dat was ineens aftrap en taboe voor de gewone manschappen. En net als de andere maten vonden we nu onderdak in een paar gewone kampong­hutten.

Het lag in de bedoeling dat we vanuit Batoe zoveel mogelijk het om­ringend gebied zouden gaan verkennen. Dat werd onze eerste taak en overal werden daarvoor kleine bezettingsposten ingericht en bemand. Vooral bij bruggen en andere vitale punten die voor ons uiteraard van groot strategisch belang waren. En onze taak daarbij was op de eerste plaats het vrijhouden van de aan- en afvoerwegen voor onze colonnes. Verder gingen we dan nog regelmatig als truckbeveiliging mee, om onze colonnes op deze manier althans nog enige bescherming te geven onderweg. Bescherming tegen alles en nog wat en daar moet men niet te licht over denken want dat was beslist geen kleinigheid. Vooral niet nu de ploppers duidelijk van taktiek waren veranderd. Ze ontliepen de openlijke strijd nu zoveel mogelijk en gingen over op de in dit gebied veel efficië®´ere en door ons zeer gevreesde guerrilla-taktiek. Daar­mee waren ze in de bergen voor ons vrijwel ongrijpbaar. Daar was hoegenaamd niets tegen te doen en nog moeilijker te bestrijden. Er bleef ons dus niets anders over dan de colonnes te bewapenen en op deze manier zo goed mogelijk te beschermen, in elk geval weer­baar te maken. Als truckbeveiliging moest je konstant op je tellen pas­sen, mede omdat het keer op keer gewoon afwachten was waar de ploppers deze keer zouden aanvallen. Eigenlijk was dat het juiste woord niet, het waren veel meer van die korte plaagstootjes die uiter­mate goed gepland waren en zeer hard aankwamen. En de ploppers waren daarbij steeds zwaar in het voordeel, ook al omdat ze de streek door en door kenden. Ze wisten ons dan ook steeds weer op onaange­name wijze te verrassen. En ze kozen bij voorkeur voor hun razendsnel uitgevoerde plaagstootjes ook steeds weer de meest ontoegankelijke rotspartijen uit. Van daaruit werden onze colonnes bestookt, terwijl ze zelf nauwelijks gevaar liepen. Voor de rest werden er op de wegen ook steeds weer nieuwe mijnen en trekbommen geplaatst. Hadden wij mariniers eindelijk met veel bloed, zweet en tranen een stuk weg gezwiept, kon je er donder op zeggen dat er achter onze ruggen weer nieuw springtuig werd geplaatst. Daar was godverdomme geen begin­nen aan en het was voor ons ook onmogelijk de hele weg naar Malang te bewaken. Met andere woorden, de ploppers hadden vrij spel en er vloog dan ook nogal eens een wagen in de lucht. Daar was niets tegen te doen, ook al waren wij onderhand experts in het ontdekken van dat springtuig geworden, het liep lang niet altijd goed af. En als je dat trof was het behoorlijk foute boel. Iedere marinier kreeg zo zijn beurt om mee te gaan en bij een volgende gelegenheid kreeg ik de eervolle opdracht als beveiligingsman met een ziekentransport mee te gaan. ?Van Gils ga je maar bij de majoor ziekenverpleger melden voor het ziekentransport." Want dat werd je niet gevraagd maar opgedra­gen. Maar ik vond het al lang best en achteraf bleek dat ik dit uitge­sproken buitenkansje aan de majoor himself te danken had. De majoor had nl. gehoord dat mijn broer ook in het veldhospitaal was opgeno­men. En omdat er toch iemand mee moest werd ik dat. Op die manier kon ik gelijk mijn broer gaan bezoeken, iets wat er anders zeker niet meer van zou zijn gekomen. Kortom, een driewerf hoera voor de majoor, er bevonden zich toch nog goede mensen onder de mariniers. En ik was er zelf verbaasd over, verdomd als het niet waar is, er waren toch nog mariniers met een hart. En dat moest ik er van Bertus zo in zetten, omdat daarover bij de marine nog wel eens anders werd ge­dacht. Er zat dus echt een menselijke bedoeling achter. Maar toen we uiteindelijk zonder onderweg op grote moeilijkheden gestuit te zijn te Malang aankwamen, bleek dat mijn broer al was afgevoerd naar Soerabaja.

Wat een teleurstelling, verdomme wat een pech. Die ik vervloekte uit de grond van mijn hart. Maar het hielp uiteraard geen moer de kop te laten hangen, er bleef me niets anders over dan het te aanvaarden. Wel kon ik nog een haastig geschreven brief aan mijn broer met een colonne die op het punt stond naar Soerabaja te vertrekken meegeven. Wat vanzelfsprekend maar bij een schrale troost bleef. Want je kent het wel, vlug, vlug een briefje toelessen waarin ik mijn broer de groeten deed en beterschap toewenste, aangevuld met de nietszeg­gende belofte hem bij gelegenheid te komen opzoeken. Een belofte waarvan we overigens beiden wisten dat hij nauwelijks was na te komen, daar moest je gewoon geluk voor hebben. Wel vernam ik van een ziekenpaai te Malang dat het gelukkig niets ernstigs met mijn broer was. En dat verzachtte de teleurstelling van de gemiste kans toch weer een klein beetje. Bij een van de akties was hij aan zijn knie gewond geraakt.

?Niets om je druk over te maken Bertus," noemde de ziekenpaai dat. Voor die gasten was het natuurlijk ook niets bijzonders, die waren veel erger gewend. Maar ik vond het zo al erg genoeg, van je broer trok je je zoiets toch altijd erger aan dan van een vreemde. Ze hadden hem voor dat knieschot tot voor kort in Malang verpleegd. En ze hadden hem al zo goed als beter verklaard toen die knie toch weer begon op te zetten. En dat werd zo erg dat hij niet meer kon lopen en daarom hadden ze het toch maar beter gevonden hem naar het militaire hospitaal te Soerabaja door te sturen. Daar was hij in elk geval in goede handen, want het militair hospitaal had bij ons terecht een zeer goede naam.

Dat waren daar vakmensen waar we ons petje voor afnamen. Wat c.q. wie die gasten daar niet oplapten mocht geen naam hebben. Kortom, je was er zoals gezegd in goede handen. Wat dat aanging had mijn broer het niet beter kunnen treffen. Een goede behandeling en dito nazorg. Daar konden heel wat burger ziekenhuizen niet aan tippen, verzekerde de ziekenpaai me en dat stelde me toch gerust. ?Bedankt voor de inlichtingen sobat," bedankte ik de ziekenpaai, ?en wie weet, tot kijk, nemen we er een pijpje op," beloofde ik. ?Dat zit wel goed Bertus," en de ziekenpaai stak zijn duim op en maakte vervolgens het gebaar van: houden zo, ten afscheid.

Als dat zou kunnen, het lag in elk geval wel in mijn bedoeling het zaak­je zo te houden. Gewoon omdat het betekende dat ik het zaakje heel en mezelf daarmee overeind hield.

Na het vertrek van de ziekenpaai liep ik nog wat doelloos rond tot de majoor ziekenverpleger me een seintje gaf dat we terug naar Bartoe moesten. Even afkloppen en opnieuw hadden we onderweg geen centje pijn. Geen plopper te bekennen en dan was het een vrij rustig ritje. Best aardig er zo tussendoor, leuk voor de broodnodige afwisse­ling zogezegd. Het brak in elk geval voor even de afstompende regelmaat van wacht- en patrouille lopen in en rond Batoe.

Naar  TOP.

Dat was jij, marinier!

 

DE GESCHIEDENIS  VAN DE MARINIERSBRIGADE

 

TWEEDE DEEL:  JE MAINTIENDRAI.

 

 

DOOR  WIM DUSSEL

 

Bewerkt door  TEUS MEIJER

 

Aflevering 25

 

Het ergste wat een correspondent kan overkomen is, dat hij "de boot mist" zogezegd. Nu, die miste ik.

De diverse bazen en collega's waren van "Product" (zoals de eerste politionele actie immers wordt genoemd) teruggekeerd en ze hadden medelijdend tegen me gezegd: "Ga jij n󵠭aar es der tussenuit vind je 󳫠niet?"

Hetgeen ik natuurlijk direct beaamde en zodoende per trein (dat kon al weer na de succesvolle terugkeer van enkele door mariniers bestuurde locomotieven) per trein dus, naar Djember vertrok, waar het enthousiaste II-Inbat me van alles liet zien, waarover volgens hun, geschreven moest worden.

Zodoende bereikte het telegram me te laat. Hé´ telegram, dat luidde: "kom direct naar Soerabaja in verband met boodschap". Hoe snel ik ook pakte en hoe snel - voor die tijd tenminste - de trein me ook terug bracht, ik was en bleef te laat voor de landing op Madoera.

Maar goed, ik stak er m'n licht over op bij diverse mariniers, die honderd uit wisten te praten over dit evenement.

Want dat was het. Als kerels van het stootpeloton, die toch een ervaring van een paar jaar hebben in het demonteren van mijnen en bommen en meer van dat gevaarlijke spul, als die kerels je ver­tellen, dat ze hopen nooit meer zoiets mee te maken . . . wel, dan moet er wel wat loos geweest zijn, dunkt me. En er is wat loos geweest daar op Madoera.

Zij, die het nog niet mochten weten: Madoera is vanouds het eiland geweest, waar de pyrotechnische werkplaats van de Konink­lijke Marine stond en waar de Jappen bij de capitulatie van Indïe en blijkbaar uitzonderlijk grote hoeveelheid explosieven vonden. Zó groot, dat er vijf jaar later nog mee gespeeld kon worden op welhaast ongelooflijke manier.

De landing - althans de vorming van een bruggehoofd ? had des nachts plaats, in pikdonker, om half drie.

"En hiermee verklaar ik het badseizoen voor geopend," moet de marinier Klooster gezegd hebben, toen hij als eerste van het stoot­peloton van III-Inbat het water in sprong en ook als eerste aan land stapte op het wat men later noemde: "Duivelseiland".

Er was gezegd, dat er op het strand wel "é©® rij mijnen" zou liggen, maar dit bleek louter theorie te zijn. De mijnen lagen namelijk niet daar. Waar ze dan wel lagen? Overal, in een woord gezegd, maar dat wist men toen nog niet.

Genoemde marinier was nog geen vijf seconden aan land of zijn oog (die kerels voelen zoiets geloof ik) viel op een alleraardigst kopje, dat daar boven de grond uitstak in de berm van de weg. En dat kopje was natuurlijk een mijn, bom, of wat het ook maar mocht wezen.

Je moet dat gezien hebben om te kunnen beseffen wat die lui daar die nacht meegemaakt hebben. Deze kerels, waarvan je weet, dat het omgaan met dat goedje toch hun dagelijkse werk is en die toch heus niet voor een kleintje vervaard zijn! Het linke was, dat er tientallen soorten mijnen en booby-traps lagen, waarvan de mannen nooit gehoord hadden, zodat ze op geen stukken na wisten hoe deze krengen gedemonteerd moesten worden.

Men kan wel zeggen, dat er vrijwel op elke meter een verrassing lag verborgen. Meer dan honderdvijftig werden er in enkele uren tijds op goed geluk in het pikduister (er waren niet eens zaklan­taarns) onschadelijk gemaakt en het mag wel een groot wonder genoemd worden dat alles goed ging . . . En toen deed het stoot­peloton van de Jagers, waarmee onze mannen samen het gevaarlijke werk opknapten, nog de ontdekking, dat ook de bomen vol hingen! Aan vrijwel iedere tak hing, gelijk aan een welversierde kerstboom, een knal-effect .. .. . Zo zwoegde men daar in die eerste donkere uren, totdat bij het ochtendgloren de genie kwam, die nog eens opnieuw kon beginnen, omdat men 's nachts alleen maar het aller­noodzakelijkste had opgeruimd om tenminste ergens te kunnen staan!

De overtocht zelf was maar heel kort: Men voer bij de Kruiserkade af en was dan practisch in tien minuten aan de kust van Madoera. Madoera, waarvoor onze komst zo noodzakelijk was, omdat het meer dan welk gebied op Java ook, zo ontzettend te lijden had gehad, omdat het eiland door de Republiek volkomen genegeerd was.

Arm als het was had zij er geen interesse bij en liet ze er de zaak kalm verhongeren.

Honderden en duizenden Madoerezen waren in de afgelopen maanden, drijvend op vlotten of soms zwemmende naar Soerabaja gekomen . . . En dat was gevaarlijk, niet alleen vanwege de haaien, maar ook omdat de kustwacht van de TRI er voor waakte, dat nie­mand van het eiland kon ontsnappen. Vluchtelingen vertelden trou­wens wel, dat men tegen schandalig hoge prijzen de van alles berooiden nog wel eens liet gaan . . . Duizenden en duizenden bewo­ners van Madoera hebben overigens de dood gevonden en menig marinier kan nog vertellen van de geraamten die hij er op baleh-baleh's vond: bewoners van honger omgekomen.

 

Hoe verder men landinwaarts kwam, des te meer was de boel gemineerd en wat meer zegt: het was uiterst deskundig gebeurd. Niet alleen deuren en kasten, maar ook schakelaars, die van de electrische centrale bijvoorbeeld. Had men die dus omgedraaid, wel, de hele centrale was de lucht in gevlogen! Rails, hekken, ja zelfs takken en bladeren bleken allerlei listig verborgen ladingen te bevatten en het wemelde er van touwtjes, die alle naar een bepaald punt leidden, een soort schakelbord, dat natuurlijk bediend had moeten worden . . . Maar dat is - gelukkig - niet gebeurd. Want ook hier bleken de heren niet over een dusdanige hoeveelheid moed te beschikken om de theorie in praktijk te brengen. Kortom, er zijn maar weinig plaatsen in heel Indië geweest, waar men de troepen zo'n ontvangst bereidde . . . Het was werkelijk ontstellend!

 

Bij Kamal vond evenwel niet de enige landing plaats. Ongeveer halverwege het eiland, aan de Zuidkust, bij het plaatjes Darmat-­jampiong, ging de zogenaamde "Colonne-midden" aan land, en die kregen al even grote verrassingen, in de vorm van mijnen te ver­werken. Zo erg, dat de amtracs, die de "beach hitten", er zogezegd al boven stonden voor ze het merkten . . .

De opdracht van deze colonne was, om vanuit de landingsplaats door te stoten naar Pamekasan, dat verder naar het Oosten, op ongeveer een derde van de lengte van het eiland ligt. Talrijk waren daarbij natuurlijk de versperringen.

 

Toen een marinier eens onder een brug ging kijken hoeveel bom­men er hier nu wel onder zouden zitten, kwam er tot zijn verbazing een inlander onderuit, die een handgranaat in z'n handen hield en blijkbaar van schrik, aan het ding begon te trekken.

Het kan ook geweest zijn, dat hij glashard was en het kreng wilde laten ontploffen, maar hoe dan ook: de mariniers riepen: "Dekken!" En de kerel schrok hiervan zo, dat ie de benen nam . . . hetgeen hij natuurlijk niet overleefde.

Was Madoera, zwaarder dan waar ook, gemineerd en gebooby­trapped, niet minder zwaar was de strijd tegen de fanatieke Hiz­boullah's, in het gebied rondom Pamekasan, waar men bij aankomst van een achtergebleven Chinees te horen kreeg, dat er in een kam­pong op een kilometer of vier afstand zes a zevenhonderd Chinese vrouwen en kinderen gevangen werden gehouden. Direct gingen de mariniers er op af en het gelukte hun ze te bevrijden!

Typisch is, dat in Pamekasan van bijna elk huis de . . . rood-witte vlag ó¦ ¤e Chinese vlag uithing, terwijl er in het hele stadje geen levende ziel te bekennen viel.

Zoals gezegd: de tegenstand was uitermate groot. Vuurgevechten van drie kwartier aan een stuk waren geen zeld­zaamheid en de aanvallers keerden met steeds grotere brutaliteit terug. Vooral tegen de avond en 's nachts werd er hevig geschoten. Tot zelfs uit de Moskee - het heilige der heiligen - werd door de vijand gevuurd!

(Aangenomen mag worden dat de fanatieke Hizboullah's, toen Java's Oosthoek hen bij de snelle opmars "te warm onder de voeten werd" naar Madoera zijn overgestoken).

Grote steun kreeg de infanterie in Pamekasan, toen op elke hoek van de grote aloon-aloon een amtrac werd neergepoot. Maar toch gaven de tegenstanders het nog niet op, want ze schoten 's nachts op slechts enkele meters afstand van deze rijdende forten!

Alles was vernield in het stadje; het postkantoor, de telefoon­centrale, het gebouw van de "ANIEM", de Katholieke en de Protes­tantse kerk, het residentiegebouw, de Chinezenwijk, enfin, te veel om op te noemen. Maar wat er dan ook allemaal vernield werd en hoe fanatiek de Hizboullah's ook gestreden hebben, het eiland werd in een paar dagen bevrijd, ook al spookte het er nog weken lang.

En om tenslotte een tragi-komisch voorval niet onvermeld te laten.

Op zekere dag ging men met een gemotoriseerde patrouille op stap, waarbij een brug overgetrokken moest worden. Er lagen nog slechts een viertal I-profielen van oever tot oever en dus werd er een stelletje spoorbiels van het station gehaald.

Deze biels legde men over het geraamte van het bruggetje, waarbij het volk ijverig meehielp, hongerige lichamen ten spijt ( of misschien juist daardoor).

In elk geval: de brug werd weer "gefikst" en het volk kreeg zijn beloning: brood, zuurtjes, sigaretten en wat de altijd gulle marinier maar bij zich heeft, speciaal als het rations zijn.

De patrouille werd gereden en men keerde na een paar uur op­gewekt terug. Wie schetst echter de verbazing, toen bij aankomst bij het bewuste bruggetje é® de bevolking, é® het brood, é® de biels, ja, zelfs de ijzeren binten verdwenen waren?

Hoe de patrouille thuis gekomen is? Ik weet het niet, maar ze hebben me verteld "dat de Verka dat wel even gefikst had".

 

De historie heeft het nu eenmaal zo gewild: er kwam weer wapen­stilstand en wel op 5 Augustus ( om niet in de war te komen met eventuele andere wapenstilstanden: in 1947). We begonnen er an­ders net de smaak van beet te krijgen, het ging net goed, maar de hogere politiek besliste: stop.

Achteraf beschouwd is dit wellicht het meest tragische moment in het hele Indië drama geweest. Was de politionele actie no.1 door­gegaan, met andere woorden waren de troepen doorgestoten naar Djocja, dan zou er vrede en rust geheerst hebben in heel de Archipel.

Nu bleef het vuurtje daar lustig branden, laaide zelfs weer vrolijk op en men behoeft heus geen brandweerman te zijn om te weten dat het gevaar, zolang de haard niet bestreden wordt, immer blijft bestaan. Om de beeldspraak nog even voort te zetten zou ik willen zeggen: de blussers keken angstig toe en vroegen zich af wanneer de lekkende tongen van een hernieuwde brand weer uit het reeds half vernielde en verbrande gebouw dat "Republiek" heette, zouden oplaaien.

Wapenstilstand dus. "Staakt het vuren", "Cease Fire" en wat voor verschillende uitdrukkingen men - om verveling te voorkomen - maar meer gebruikte voor een en hetzelfde feit. Hadden we eerst een demarcatielijn, daarna een perimeter, nu kregen we dus een "status-quolijn".

"Status-quo", zei een marinier die "gestudeerd" had tegen een van zijn maten, die "alleen maar een twee-cents-schooltje had ge­had", "Status-quo" betekent eigenlijk de toestand, waarin iets, in dit geval dus het land, verkeert, snap je?" Waarop de ongeletterde man met het hoofd knikte en zei: "Maar waarom noemen ze het dan niet de sof-lijn?"

Intussen, al te veel tijd om ons er het hoofd over te breken hadden we gelukkig niet. Daarvoor was het gebied, dat nu onder ons beheer was gekomen, veel en veel te groot en de werkzaamheden, ten gevolge hiervan, veel te uitgebreid. Iedere marinier had nu, bij wijze van spreken "zijn eigen vierkante kilometer" en de ervaring in de afgelopen maanden had wel geleerd, dat er na een bezetting intensief gepatrouilleerd moest worden, omdat de gevluchte tegen­stander na kortere of langere tijd altijd weer een poging tot infil­tratie deed. Vooral in de enorm grote gebieden van Java's Oosthoek, met zijn talrijke schuilplaatsen in de bergen, was het zaak voortdurend op zijn qui vive te blijven­.

De verbindingswegen waren lang en soms. moeilijk. De posten en postjes waren ver en afgelegen; de wegen voerden soms door smalle, hoge bergpassen en één handgranaat van boven af bijvoorbeeld op een munitietruck geworpen, kon fatale gevolgen hebben.

De treinen moesten bewaakt worden, voorafgegaan door wagens met zandzakken, waarop "mariniers op de uitkijk", die moesten be­letten dat de trein op trekbommen zou lopen. De tientallen meters hoge bruggen over de diepe ravijnen dienden zorgvuldig bewaakt te worden, de kampongs rondom de bezette grote plaatsen zorg­vuldig uitgekamd, kortom, we hadden de handen vol.

Naar  TOP.

40 JAAR – DENKEN , DENKEND , GEDENKEN , HERDENKEND EN

BEDENKELIJK .

 

JANUARI 1945.

 

Slaapzaal ergens in de haven van Oostende, kussens vliegen heen en weer.

Het stof van de strozakken dwarrelt rond, als een vijfentwintigtal jonge lijven

hun energie kwijt moeten.

’s-Morgens vertrokken uit Roosendaal vanaf hotel Goderêe in een militaire truck.

Een man in battle-dress had onze oproepen gecontroleerd en tijdens de controle

werden de eerste beginselen van de vocabulaire van iemand met strepen op de

mouw reeds gauw duidelijk.

“Hé, lang stuk ellende, hou je kaken eens op elkaar”.

Dat was tegen mij want ik moest zonodig informeren waar een andere lange

slungel vandaan kwam.

Je had je opgegeven bij “50 technische vakken, opleiding in Amerika” etc.

Had bij de O.D. gediend, 17 jaar oud, lagere school, nijverheidsschool,

toelatingsexamen MTS in je zak, een aantal maanden als volontair bij een

suikerfabriek in de bandwerkerij gewerkt.

Vader had bij de Ondergrondse gediend, was reeds ergens in Amerika.

Je had een tweetal dagen vastgezeten bij de landwacht omdat je zonodig

iets moest vertellen over de NSB, niet in de gaten hebbende dat een van die

schoften achter je zat.

 

Roosendaal werd bevrijd, een dag later stond je als 17 jarige snotneus met een

oud Frans geweer kolen te bewaken, haalde wat NSB-ers op en bewaakte ze in

een gevangenis ingericht in een oude textielfabriek.

Was het vaderlandsliefde die je deed aanmelden als OVW-er bij het korps?

Ik weet het niet, in elk geval wilde je iets doen, je wist dat Japan nog steeds ons

Indië bezette.

Je had van je leven geen Japanner gezien maar waarschijnlijk leek hij iets op

Jefke Weng , een Chinees die ergens in de achterstraat woonde en vroeger

pindakoekjes verkocht.

In het oude ATO gebouw tegenover het station werd je gekeurd.

Je had je van boven tot onder gewassen want je had gehoord dat ‘ze’streng waren.

Een marinedokter onderzocht je lijf en je keek vreemd op toen hij zei:

“Zo en schuif dat vel van die penis eens naar achteren”.

Dat woord had jezelf nog nooit gebruikt.

Later in de provisorische cantine zag je een van die aspiranten jankend de

deur uit gaan.

Naderhand hoorde je dat de dokter termen tegen hem had gebruikt als:

dat die kop kaas nog niet was te verwijderen met een pneumatische beitel!

Doodmoe viel je op de strozak in slaap en werd zoals je dacht 5 minuten later

weer gewekt om als de weerga je donder te wassen en je schamele bezittingen

( zeep, handdoek, stel extra ondergoed ) op te pakken, kreeg in een ouwe eetzaal

een grote mok thee met een stelletje boterhammen met jam.

Een half uurtje later kwam een figuur in blauw je vertellen dat g.v.d. van je

verwacht werd bij elkaar te blijven, dat hij hoopte dat tijdens de tocht over het kanaal

je niet te veel over je nek zou schijten etc.

Buiten komend bemerkte je dat er een wind stond die je bijna omver blies.

“Kracht 10”, zei de figuur in blauw, “dat wordt lachen”.

Eindelijk kwam je aan de kade.

Je werd overweldigd van wat je daar zag.

Schepen van de verscillende marines, bedrijvigheid van allerlei mensen,

burgers en militairen die zorgde dat grote trucks werden geladen etc.

Eindelijk stopte de blauwe bij een ander figuur die wat strepen op de mouw had

en bij een loopplank stond van een grijs slank schip dat de Engelse

marinevlag voerde.

De majoor, zoals hij zich voorstelde, gaf ons in het kort wat mededelingen zoals”

‘altijd zwemvest om, bij elkaat blijven en geen cholerezooi maken’,etc.

De looplank op, zwemvest aan en ergens in een ruim zittend en hangend voelde

je reeds de deining van het water in de haven, opgezweept door de storm die

buitengaats stond.

Een kort gedrongen figuur in een duffel wauwelde wat Engelse woorden tegen je

die je niet verstond en drukte je een pakje sigaretten in je hand.

Ik heb het geweten, nog nooit gerookt en de eerste sigaret was de befaamde

“Wild Woodbine”.

Plots een doordringend gebrul van een of ander toeter en je voelde het schip bewegen.

Een oude vrijwilliger vertelde ons dat wij op een destroyer zaten.

Twintig minuten later waren wij buitengaats.

Rond kijkend en slurpend aan een hete kroes thee bemerkte ik gezegend te

zijn met zeebenen.

Velen van de anderen hadden reeds met gesnelde pas de ladder naar boven beklommen

en hun maaginhoud aan de kanaalvis gevoerd.

Tot mijn vermaak was de blauwe figuur met strepen die een sergeant v/d marine

bleek te zijn, een van de eersten die last had van de storm.

Een half uurtje later lag het grootste gedeelte van onze groep als groengeleurde vissen

tegen de wanden van het ruim hangend, kotsend in leren putsen zoekend welk

technisch vak dit nu wel was.

De majoor, wat later afdalend in het ruim keek het zooitje hoofdschuddend aan en

gaf de enkelen die over waren toestemming, aan dek te gaan mits we ons wilde hullen in

oliegoed dat in een hoek lag.

Ik vergeet nooit wat ik daar zag, mij vastklemmend aan handgrepen die overal waren aangebracht, keek ik met open mond naar de voortjagende wolken , enorme golven die de neus van de destroyer optilden, om  daarna in een diepte naar beneden te schieten.

Als een duikboot onder water te plonzen, grote gutsen water over de boeg jagend met grote vlokken schuim die ons om de oren vlogen.

Een jonge Engelse matroos zag mij met open mond staan en schreewde: “Sluit je mond Dutchie, anders is ie zo vol!”

Ik dacht aan 1942 toen mijn vader mij eens meenam naar Bergen op Zoom en ik voor het eerst bij de ‘duintjes’ de Schelde zag.

Dit ws wel wat anders, de majoor die bij ons stond vertelde dat hij in zijn diensttijd nog nooit zo’n storm had meegemaakt en dat zo’n 40% van de bemanning zeeziek was.

Ik ben vergeten hoe lang het duurde maar uiteindelijk kwamen wij ergens in de Tilbury dokken aan en werden aan wal onthaald door leuke Engelse meisjes van de Naafi die ons overstroomde met thee, koeken, chocolade en sigaretten.

We bemerkte ook dat er een soort van welkomst comitee voor ons bestond.

Een kleine gifkikker stelde zich voor als adjudant en twee korporaals werden ons toegespeeld onder het motto”het vee te drijven”.

De veedrijvers schopten ons in een truck die na een uurtje bonken ons afleverde voor een station.

Onze veedrijvers zagen kans om ons in een aantal coupé’s te drijven.

Een stelletje Naafi meisjes overhandigden ons lunchpaketten en chocola.

Onderling spraken wij onze verwondering uit over al die organisatie en overdaad.

Uiteidelijk kwamen wij uit recentelijk bevrijd gebied waar alles nog mondjesmaat werd verstrekt.

 

Een Engelse MP leerde me de eerste Engelse woorden.
Volgens hem zou ik daar mee verder komen dan met de uitgebreide vakzinnen.

Ik vergeet ze nooit meer nl. Chocolats, cigarettes and nijlons.

“Almost every girl will yield to these words”zei hij me!

Inmiddels kwamen we te weten dat we onderweg waren naar Schotland waar volgens een van onze veedrijvers ze vol verwchting op trekhonden zoals wij zaten te wachten.

Zowat een nacht later kwamen we op een station aan in een grijslauwe stad welke Glasgow bleek te heten.

Onderweg hadden de Naafismeisjes op diverse stopplaatsen gezorgd dat onze magen niet knorden.

Trucks stonden klaar en brachten ons via smalle wegen naar Helensburgh.

Ik denk aan de pier in Helensburgh waar je met een boot werd overgezet naar Rosneath.

Deze pier brengt steeds speciale gedachten in mij naar boven: scharrelhoekje!

De ontvangst in Rosneath!?!

Voorlezen krijgstucht artikelen, looppas dokter, looppas spuiten halen, looppas kleren halen, looppas hier, looppas daar!

Een zekere adjudant Sinke werd de vader en moeder van het kamp genoemd ofwel chef der equipage.

En dan de testen, exercitie en exercitie.

Hier ontmoette ik de kpl.Almekinders.

Vergeet nooit wat hij zei tegen ons:”Mijn naam is Almekinders en ik ben kpl.der Mariniers.

Als je goed luistert naar mijn naam zegt deze naam dat jullie Al-me-kinders zijn en dat betekent dat ik jullie kan belonen en straffen als een vader!

En kinderen passen meestal niet goed op en ik ben zeer goed in straffen maar zal nooit vergeten dat jullie Al-me-kindres zijn.”

40 Jaar later herinner ik me hem nog steeds en ondanks zijn straffen, was het een van de besten die mij leerden hoe je marinier diend te worden gemaakt.

Met plunjezak vol spullen en volle marsbepakking gingen we een maand later via de pier in Helensburgh naar het station om te zien in Southampton te geraken.

Het transportnummer ben ik vergeten maar twaalf uur later werden we ingescheept op de U.S.S. General Gordon, een groot vrij zwaar gewapend schip.

Aan boord gingen ook een 500-tal Duitse krijgsgevangenen.

Door mijn lengte val ik nogal op dus bij het uitpikken van figuren voor vuile taakjes was ik altijd de pineut.

Twee dagen later leerde ik in 10 minuten hoe een 5 inch granaat uit de transportkoker te pakken en in de tempeer-instalatie te plaatsen.

De stuks bemanning bestond verder uit Amerikaanse matrozen die me snel wat Engels bijbrachten.

De eerste dagen was het hondeweer geblazen aan de 5 inch kanonnen.

De diverse oorlogschepen en transportschepen vormden een vrij groot convooi,hetwek koers zette naar Amerika.

 

Er scheen nogal wat losse Duitse duikboten op de Atlantische Oceaan rond te zwerven zodat alarm een vaste prik was.

Een van de destroyers pikte op de sonar een Duitse U-boot op en begon dieptebommen te werpen.

Nog meer destroyers volgde dit voorbeeld en het was op alarm staande bij de kanons een griezelig gedoe.

Afkomende van de hondewacht hoorde ik dat de Duitse gevangenen in de ruimen in paniek waren geraakt.

De commandant van het bewakingsdetachement herinnerde zich dat er Hollandse Mariniers aan boord waren, onmiddelijk begaven zich een 25 tal mariniers naar de ruimen waar de krijgsgevangenen er een rotzooitje van maakten.

10 Minuten later was de paniek over en stonden 500 Duitsers in de houding voor de kooien wachtende op een torpedo die gelukkig nooit zou komen.

Een Sergt.majoor van de mariniers had hen herinnerd aan de wijze waarop in de 18e eeuw kanonsgaten met varkensvlees werden gedicht.

“En”, zei de Sgt.Maj.,”Gezien hier genoeg varkens zijn moet het niet moeilijk zijn om torpedo gaten te dichten met Duits varkensvlees.”

 

Zigzaggend kwamen we binnen bereik van de bescherming van vliegtuigen van de Amerikaanse Navy van het Coastal Command East Coast.

Behalve de Duitse krijgsgevangenen hadden we veel lichtgewonde Amerikanen aan boord die repatriëerden voor hetstel.

Wij dachten dat de band die stond te spelen in de haven van New York waar we arriveerden speciaal voor ons was geëngegeerd.

Dat pakte wel even anders uit want een uur na aankomst zaten we in de trein op weg naar, wat ons werd verteld, de liefelijkste plaatst in de U.S.A. nl. ‘Camp Lejeune.’

Wat een organisatie, transport en voedsel, alles klopte!

Trein in en sporen richting Zuiden naar Noord Carolina.

Alles was nieuw, enkele weken in dienst en daar was je dan.

Zware marsbepakking, plunjezak en daar ergens in weggewrongen een 17 jarige snotneus in enkele weken zoveel indrukken verwerkt dus nergens meer mee te verassen.

Had je gedacht!

Voor dit soort figuren had men iets speciaals gevonden.

 

Kaarsrecht, roodblond, kapitein der mariniers, krakend Haags accent met een vocabulaire waar elke samensteller van een woordenboek jaloers op zou zijn.

Een klein dun snorretje sierde zijn bovenlip.

Ik weet niet of zijn ogen blauw waren maar ik weet wel dat ze dwars door je heen gingen.

Honig was zijn naam en die vergeet ik ook nooit meer.

Mijn naam scheen vanaf onze eerste ontmoeting in zijn geheugen gegrift te staan.

Naast hem een zeer rustig figuur met dezelfde soort ogen, een borst waar vier meisjes zich graag op wilden vleien en dan genoeg plaats hadden.

De Grieken hadden in de oudheid een heraut Stentor die bekend stond vanwegen zijn luide stem.

De figuur welke ik na de Kapt. Honig beschreef was een majoor, 1.95 lang, een lichte glimlach op zijn gelaat bestorven, genaamd Pronk.

Als hij fluisterde kon je hem in het achterste gelid duidelijk verstaan,

Rond deze figuren schreed een mager figuur met het invasie koord om de linker schouder.

Hij stelde zich voor als Sgt.Maj. de Waard.

Hij viel op door een fiks geschapen voorgevel vandaar dat we er niet van opkeken dat hij doorging voor “Neus”de Waard.

Het was de Kapt. Honig die met een zeker medelijden in zijn stem constateerde dat we wel moe zouden zijn en dat we na aankomst maar snel moesten gaan slapen.

Majoor Pronk verwelkomde ons en zei dat de Kapt. Honig bedoelde dat het slapen natuurlijk pas zou plaatsvinden nadat de kasten waren ingeruimd en plunjezakken uitgepakt.

“Neus”de Waard zegde ons toe dat hij ons hiermee zou helpen.

Wij blij want je wist natuurlijk heg of  steg.

Aangekomen in Camp Lejeune bleek een grote zaal in gebouw H te staan.

Bedden met lakens, kussens, slopen, twee dekens, een kist onder het bed en lange klerenrekken in het midden en alles brandschoon.

5 Minuten later wisten we hoe bedden moesten worden opgemaakt, kleren in model moesten worden opgehangen en kist moest worden ingeruimd.

1 Uur later, eerste inspectie door Kapt. Honig die behalve enkele opmerkingen over langzaam gedoe het geheel nog niet zo slecht vond.

Opdracht twee, douchen, omkleden in werktenue en ketelaren.

Wat dat laatste was wisten we niet, totdat we werden afgemarcheerd door een jonge korperaal, Knoop was zijn naam, naar de mess hal.

Wat een welkom en wat een eten en drinken.

Er liepen mariniers rond die zeuntje werden genoemd en ons wat wegwijs maakten.

Een half uur later bij middernacht afmars naar de barak waar was geconstateerd dat de vloer vuil was gemaakt door ons.

Dus poetsen geblazen totdat ca. Een uur later in de nacht we de kooi in mochten duiken.

Vanaf de reveille 4 uur later tot het ontbijt om 6 uur, veldloop, bed opmaken en dit alles gebeleid door een viertal mariniers bijgestaan door de “Neus”.

Baksgewijs was een belevenis waar je stram in de houding staande werd ingewijd in de diverse rituelen die zich op zo een normale ochtendceremonie afspeelden.

Een stevig uitgebouwde luitenant viel hier bij op, de naam was van Hees.

Een messcherp klein blond luitenantje, Stam, met bliksemende ogen en een snijdende stem deed je afvragen of er bij het korps ook zachtere figuren rondliepen.

Het waren er niet veel bleek later, maar dat hoorde bij de opleiding.

Later in Indië bleken dit soort figuren best mee te vallen!

s’Middags om 5 uur was je ingedeeld, uitgerust met geweer en bajonet en hoorde je bij vormklas 8 onder Sgt. De Haan en korporaal Knoop.

Van anderen die al wat langer in de USA waren hoorde je dat dit 1665-ers waren en wij in hun ogen trekhonden waar men mee was opgescheept.

Zij moesten trachten van ons mariniers te maken, in hun ogen een onmogelijke taak maar naar later bleek best meevallend.

We hebben het geweten, voortdurend onder de conrolerende ogen van Pronk, Honig, van Hees, Stam, de Waard etc. werden we afgeknepen door onze Sgt. en Korporaal.

Jousma, Engels, van Roesel, Schmidt,Basten,Theo Engels, nog veel meer en ik zei de gek zuchtten onder het juk van de opleidingsmethoden die naar het ons leek door sadisten werden uitgevonden.

Met de dag kregen we echter in de gaten dat de methodes misschien wel erg cru leken maar in ons eigen voordeel werkten.

Bij de les kaart en compas bleek vormklas 8 na 25 km door het terrein precies op de plaats uit te komen waar de truck stond om ons terug te brengen tot verwondering van Lt.v.Hees die had gedacht dat de dacinaties en kaarthoeken ons in de war zou brengen.

Andere vormklassen moesten te voet terug.

Het was ook vormklas 8 die op de schietbanen van Le Jeune het Amerikaanse opleidingsrecord schieten verpulverde.

Overigens was het vormklas 10 die ons record die dag naderhand weer brak.

 

Het knikken en knakken bracht ons niet op de knieën en onze Amerikaanse schietinstructeurs hadden plezier in de “Dutchies”die van plan waren heel wat Japanners naar de Filistijnen te schieten.

Op het kamp zelf dronken we Budweiser en Schlitz en vonden het maar erg licht bier, de PX had een goede klant aan de Dutchies en zondagsmorgens in de kerk zongen ze als de besten.

Inmiddels had ik mijn eigen vader weergevonden, die als Sergeant der Mariniers bleek rond te lopen.

Buiten zijn vaderlijke bezorgdheid over mijn opleiding bleek hij een echte sergt.der mariniers te zijn die er zijn eigen scherpe inspectiesysteem op na hield.

Hij had namelijk het idee dat alles wat ik niet goed deed als marinier een vlek op het blazoen van onze familie zou achter laten.

Hij zorgde ervoor dat het blazoen van de familie onbevlekt bleef door mij nog eens extra af te knijpen.

Overigens was je tijdens de opleiding in het begin nog eens dubbel de sigaar want je werd als zeuntje aangewezen wat je veel van je vrije tijd kostte.

Als peukenprikker deed ik een keer drie dagen een uur strafexercitie op.

We wisten dat er een nieuwe trainingsfilm draaide in het kleine theater “de bajonet”, nogal pittig en realistisch.

Frans van Roesel en ik zorgden ervoor al peukenprikkend in het theater binnen te sluipen.

Terwijl we ons klaarmaakten om weer stiekum te verdwijnen ging plots het licht aan en stond de luitenant Stam voor onze neus.

Onze divisiechef Majoor Pronk gaf on beiden 3 x 1 uur strafexcercitie met verzachtende omstandigheid het feit dat we een trainingsfilm bezocht hadden tijdens een andere opdracht.

Nadat we de eerste opleiding achter de rug hadden kregen we een kort verlof toegestaan.

Ja, voor iedereen behalve voor mij.

Bij het verlof aanvragen moest ik me melden bij de Kapitein Honig.

Met een lichte grijns op zijn gezicht vroeg hij me of ik de regels kende inzake minderjarige schepelingen.

Deze kende ik natuurlijk!

“Zo” zei hij:”Maar jij hebt toch een van je ouders hier?”

“Inderdaad kapitein”, was mijn antwoord.

“Maar de andere dan, die zijn toch ook minderjarig?”

“Natuurlijk marinier, maar gezien die niet hier wonen, wordt aangenomen dat ze automatisch toestemming verlenen via mijn persoon”.

Dus melde ik me bij de Sergt. der mariniers Heitzer met verlofbriefje.

Na een korte inspecterend blik vroeg hij me wat ik wenste.

“Sergeant, gezien U ook mijn vader bent, heeft de kapitein Honig mij geattendeerd op de inwendige dienstregels welke inzake minderjarige schepelingen aangeeft dat het verlof alleen wordt toegestaan met toestemming der ouders”.

“Natuurlijk, marinier, wilde je dan met verlof ?”

“Ja Sgt. naar Washington.”

“Zo en wanneer dan?”

“a.s.Vrijdag Sgt.”

“Keurig, meld je vrijdagmorgen bij me om 8.00 uur”.

Na me aangemeld te hebben ging ik met de pest in mijn lijf naar de zaal, waariedereen volop plannen maakte om een heerlijke 10 dagen door te brengen ergens in de U.S.A.

Al die plannen die ik gemaakt had verdwenen bij de gedachten met mijn vader als oppasser, mijn verlof door te brengen.

Vrijdagmorgen 5 voor 8 melde ik me bij Pa en erd waardig bevonden om op verlof te gaan.

Tijdns de reis naar Washington in de Greyhounbus werd er niet veel gesproken.

In Washington gearriveerd gingen we naar het Soldiers, Sailors and Marineshome waar je voor 50 US dollarcent per nacht kon overnachten.

Ik zag pa wel smoezen met de beheerde maar sloeg hier niet veel acht op.

“Zo jong”zei de ouwe, “we zullen je eens bowlen leren.”

Als ik ergens wel de pest aan had was het wel bowlen, maar ja, wat doe je tegen een vader die tevens Sgt, der mariniers was.

Men kan niet zeggen dat ik mijn best niet deed om van hem te winnen, maar net zoals met biljarten vroeger verloor ik keer op keer.

Pa bleef maar pilsjes drinken en gezien ik niet achter wilde blijven deed ik mijn best om bij te blijven.

Dat lukte natuurlijk niet en om een uur of 10 was ik als een toeter.

Veel herinner ik me niet van wat er verder gebeurde, vaag zie ik me in een taxi geduwd en een grijzende pa Sgt. naast me.

Hij dumpte me in bed en ik moest onmiddelijk als een blok in slaap gevallen zijn.

Met een beetje pijn in de kop werd ik s’morgens wakker.

Ik was in pyama, had een groot stuk karton om mijn nek waarop met een mij bekend handschrift geschreven stond: “Prettig verlof verder, je vader!”

Ik beloofde mezelf hem nog een keer te pakken te nemen.

Met Jan Pasma uit Nijmegen die ik toevallig ontmoette heb ik 9 fantastische dagen in Washington doorgebracht.

Daar zou een boek over te schrijven zijn maar dat is niet de bedoeling van dit stukje.

 

Terug in Camp Lejeune werd de opleiding voortgezet,ik werd 18 jaar en moest samen met pa op de foto voor de marine-Gazet.

Er kwamen steeds nieuwe transporten uit Holland aan.

Van die jongens hoorde je dat de verschrikkingen die zich hadden afgespeeld in het Boven Moerdijkse,waar wij door het gebrek aan voldoende Nederlandse nieuws maar weinig van wisten.

De opleiding werd steeds zwaarder en werd geoefend in groter verband en ik werd geplaatst bij de mitrailleursopleiding.

Tijdens de weekenden verbleef ik meestal bij een Amerikaanse familie, woonachtig in Wilmington die van Nederlandse afkomst was.

Daar leerde ik de Amerikaanse manier van leven die tich wel wat anders was dan bij ons in Nederland.

De grootvader, welke nog wat gebroken Nederlands sprak, leerde me Noord Caroline Moonshine drinken.

Zo ertussen door constateerde ik dat zo’n 40 jaar geleden een aantal jonge knapen komende van alle geleidingen van het Nederlandse volk, uit alle provincies van Nederland en van overzeese gebiedsdelen door 1665-ers een eenheid vormden die hartverwarmend en tekenend voor de korpsgeest was.

Wij smaalden wel eens als we naar al die verhalen luisterden die ons werd verteld.

1665, Oudste korps, korpsgeest., etc.

Maar zo langzamerhand begon je waardering te krijgen voor je meerderen.

Niet allen natuurlijk want je had er ook geboren etters onder zitten die het niet zo zagen zitten met ons.

 

Aan de andere kant begonnen je meerderen de discipline op een andere leest te schoeien.

Door de zware training was er een zelfdiscipline in je gekweekt die automatisch in werking trad indien nodig.

Je meerderen speelde hierop in,corrigeerden en trachtten dit in kanalen te leiden die pasten in een goed lopend geheel.

Een voorbeeld in het aankweken van zelfdiscipline en het toepassen van leiderschap en de mentaliteit van kader is het navolgende.

Toen ik kort na aankomst in Le Jeune eens ingedeeld was als peukenprikker liep ik met zak en prikker in onze area.

Je aandacht diende niet te verslappen, behalve op de peuken moest je letten op meerderen die je op tijd moest groeten.

Plotseling een rauwe kreet achter je “Marinier”, je draaide om en dan stond een oude korperaal der mariniers, waarschijnlijk overgebleven uit de 2e Zeeoorlog met de Engelsen in 1665.

Meteen schoot je stram in de houding want daar stond iemand die naast God, een belangrijk persoon was.

“Kom eens hier”, zei de autoriteit.

Zoals te doen gebruikelijk begaf je je in de loopppas naar zoiets toe en melde je model.

Zijn vinger wees beschuldigend naar een peuk die stiekum lachend op de grond lag.

Ik keek hem verbeisterend aan en stameld zoiets als”dat ik die peuk over het hoofd had gezien”.

Met een lichte glimlach op zijn gelaat, die ik in eerste instantie niet vertrouwde, vroeg hij naar mijn leeftijd.

“17 jaar korperaal”zei ik. “Juist en je vraagt je natuurlijk af waarom die ouwe korperaal zo’n soesah maakt over een simpele peuk, marinier”.

Natuurlijk durfde ik niet te bevestigen dat ik dat inderdaad dacht.

“Marinier”zei hij, “In het korps moet je letten op kleinigheden, zelfs de minst belangrijke dingen, begrijp je dat”.

“Natuurlijk korperaal”.

“Oké, pak die peuk dan maar op en dan verwacht deze ouwe L...dat je wat geleerd hebt”.

“Jawel korperaal, dank U wel”.

“Ja, ja , al goed marinier, trek maar aan je stutten”.

Dit kweekte vertrouwen en je wist dat deze figuur, al was hij dan maar korperaal, het leiderschap in zijn beste vorm demonstreerde.

Het was dit type meerderen die alles uit de kast kregen, zo een wilde je uit jezelf al nooit teleurstellen.

Dat had niets te maken met het feit dat hij geen rapport schreef maar hij wees je heel even op een nonchalance van jou op de meest prettige manier.

Dat het niet altijd zo ging zullen de meeste lezers wel kunnen begrijpen.

Dit er even tussendoor.

Rond 12 augustus deden geruchten de ronde als zou het maar enkele dagen meer duren en de oorlog met Japan was afgelopen.

Uit de nieuwsberichten lazen we dat een verschrikkelijk wapen door de Amerikanen was gebruikt op Hiroshima en Nagassaki.

Het kamp stond op zijn kop, WR’s vonden het niet erg midden op straat lekker gepakt te worden, de drank vloeide als water want Japan had inderdaad gecapituleerd.

Een dag of wat hierna stonden we dan, wat moeten we nu, wat gaat er met ons gebeuren?

De 60% verliezen die ons waren voorspeld als we in Japan zouden landen konden vergeten worden.

De politiek zou nu wel uitmaken wat er met de 1ste Nederlandse Mariniersbrigade zou gebeuren.

 

Nederlands Indië bleek door de Jappen geprogameerd te zijn via een aantal intelectuelen om zich onafhankelijk te verklaren en een aantal figuren met een zekere heer Soekarno aan het hoofd had op 15 augustus de republiek Indonesia geproclameerd.

De trant van de opleiding werd drastisch aangepast en op een goede dag in september werden we allemaal verzameld op een vliegveld en was je een paar uur later ingedeeld in pelotons, compagnie enz.

Sommigen van ons werden van marinier 3 korperaal, sergeant majoor of luitenant.

Ik meen dat het op een vrijdag was want jaren later werd deze dag “dolle vrijdag in september” genaamd.

Ondertussen waren we ook in twee dagen naar en ander kamp overgeplaatst namelijk Camp Davis, een veel ouder kamp dan Le Jeune.

 Onze nieuwe onderkomens waren twee verdiepingen en opgetrokken in hout.

We hadden  veel minder comfort dan in Le Jeune maar je was zoveel gewend dat het niets meer uitmaakte.

We leerden Maleis en werden volgepropt met informatie over Nederlands Indië.

De geruchten werden wilder en wilder en plotseling moest de Brigade vertrekken naar Nederlans Indië om daar orde en vrede te brengen.

Door het ontbreken van politieke informatie van wat er zich afspeelde in de Pacific hebben de meesten als een groot gemis ervaren.

Jaren later denk ik nog steeds dat het een van de grootste fouten is geweest die men maakten ten opzichte van ons.

We nemen het ons korps niet kwalijk want in de periode dat wij opgeleid werden was de situatie op allerlei gebied heel anders dan later.

Naderhand in Nederlands Indië werd die informatie ruimschoots vergoed.

De grote parade op een vliegveld nabij Camp Davis was min of meer het begin van een afscheid.

Het zooitje ongeregeld zoals onze 1665-ers ons soms pleegde te noemen gaf daar een staaltje excercitie weg zoals de Yankees nog nooit hadden gezien.

De commandant van de Brigade , de toenmalige Kolonel de Bruine, stond met zijn mond open van verbazing toen hij zijn OVW-ers daar voorbij zag komen.

De kranten stonden vol van kreten zoals”One of the best parades ever seen in this area”,Dutch Marines demonstrate their excellent training”enz.

Een tijdje later in november gingen we dan, op weg naar Norfolk.

Daar lag de Noordam, een troepen-transportschip dat een groot gedeelte van de Brigade in zijn buik opnam.

De korpscommandant Frijtag Drabbe was speciaal uit Holland over gekomen om ons uit te zwaaien.

Op weg naar Indië, wat zou ons daar te wachten staan.

De weken dat we aan boord zaten werden doorgebracht met allerlei zaken zoals: Maleis lezen, schieten met mitraileur, wapen onderhoud, inwendige dienst, sport en ontspanning.

Je sliep in kooien 5-6 boven elkaar, later toen het warmer werd vond je een plaatsje aan dek en sliep je op je poncho die de naam had de meest gezonde matras ter wereld te zijn.

Ik was ingedeeld bij Comp.A mitrailleurs peloton.

Door het Suezkanaal in de Indische Oceaan werd voor de eerste keer gelegenheid gegeven om de benen eens te strekken in Tricomalee voor zover terugdenkend was dat op de dag voor Kerstmis.

Er werd daar ontzettend veel vrede gesticht in die havenstad.

Zoveel vrede dat de hospikken extra dienst moesten verichten om het zaakje gezond te houden.

Op 30 december lagen we voor het toenmalige Batavia en werd begonnen het eerste Bataljon te ontschepen.

De politiek gooide weer roet in het eten gezien de Engelsen ons niet op Java wilden hebben en de ontscheping stop zetten.

Maar de commandant mariniersbrigade wilde het eerste bataljon niet terug naar de Noordam laten gaan en zo waren wij de eerste mariniers die voet aan land zetten in Nederlands-Indië.

’s Nachts om 12 uur was de luitenant Dourlein me komen vertellen dat ik bevorderd was tot korperaal der mariniers.

We werden gelegerd in een stelletje ouwe loodsen.

Vlak bij dus was een compagnie Shiks gelegerd.

Of ze ons in de gaten moesten houden of niet maar ze hadden spoedig in de gaten dat er met Hollandse Mariniers niet te spotten viel.

Een paar dagen later moest ons peloton naar het eiland Onrust hetwelk dienst deed als een gevangenen kamp.

Er zaten Duitse en Japanse krijgsgevangenen en een stelletje peloppors uit het Bantamse die zich schuldig hadden gemaakt aan moord op Nederlandse families die uit een internerings kamp waren gelopen om hun oude woningen op te zoeken.

Erg happy waren we niet met deze bewakingsdienst want het was dodelijk vervelend.

Een paar weken nadien werden we verplaatst naar het Tjideng kamp waar vele Nederlandse en Indische families tijdens de Japanse periode waren geïnterneerd.

Gezien de gevaarlijke situatie die was ontstaan door z.g. vrijheidsstrijders die reeds enkele malen dit kamp hadden beschoten en reeds velen hadden vermoord was de bewaking hier hard nodig.

Daar hoorden we de meest vreselijke verhalen over de wandaden die waren verricht door de TKR, TKI, TNI, Pemoeda’s etc.

Deze verhalen schokten ons nogal en sommige mariniers reageerden hierop door zelf nogal wrekerig op te treden t.o.z. van de Javanen.

Wederom korte tijd later verplaatsen we ons naar Meester Cornelis.

We werden gelegerd in een mooi wit huis tegenover een militaire bakkerij.

Ook hier moesten we diverse objecten in de buurt bewaken.

Diverse maten deden hier hun eerste vrouwelijke contacten op en het eten was niet slecht.

Tijdens een actie in de omgeving sneuvelde hier de luitenant Born met zijn dardanel v. Leeuwen.

Voor het eerst werden we geconfronteerd met het sneuvelen van mede-mariniers,er zouden er nog veel volgen.

In Batavia werden de Engelsen geconfronteerd met mariniers die zich de kaas niet van hun brood lieten eten.

Een of andere Engelsman beledigde onze Koningin in de “Black Cat”.

Dat had hij niet moeten doen.

Nog nooit heb ik zo velen ( Engelsen ) door zo weinigen ( wij )zien aftuigen.

Je merkte dat de Engelsen gevechtsmoe waren.

Om eerlijk te zeggen was de periode Batavia voor het mitrailleurpeloton van Cie.A,1e Bataljon tamelijk vervelend.

Daadwerkelijke actie zagen we maar weinig en de eentonige bewakingsdiensten trokken een wissel op het moraal van het peloton.

Inmiddels hadden politieke bemoeiingen van Nederlandse zijde toch wel resultaat.

De rest van de brigade die ergens in Malakka door de Engelsen was weggeborgen kreeg toestemming naar Soerabaja te vertrekken.

Het 1e Bataljon vertrok zodoende vanuit Batavia naar Soerabaja per KPM om de Nederlandse Mariniersbrigade te completeren.

Direct na aankomst werden we gelegerd in lege huizen in de Darmo buurt.

Daar nog niet alle materiaal gearriveerd was,

Sliepen we de eerste nachten op onze befaamde poncho uitgespreid op de stenen vloeren.

Soerabaja was een vrij grote stad welke bezet was door het Engelse leger.

Dit waren meestal Shiks and Gurka soldaten die hun bewapening gemakkelijk verkwanselden voor een snel wipje in de kampong.

Snel maakte we kennis met de Chinese en Indische keuken.

De marinierskantine werd opgericht en verving de ons zo bekende P.X.

We bemerkten ook spoedig dat er ook andere Nederlandse tropen dan mariniers bestonden.

We kregen de naam “fiksers” en scholden de anderen uit voor “Zandhazen”etc.

Eindelijk kreeg het mitrailleurspeloton zijn eerste opdracht.

Op de lange weg bij Gedangan was een keten van posten ingericht.

De eerste schreden van het brengen van orde en vrede werden aldaar gezet.

De allereerste patrouille o.l.v. Majoor Engels was ook de eerste kennismaking met daadwerkelijk gericht vuren.

Dat is overigens een vreemde ervaring.

In het begin is een soort heftige angst de eerste reactie.

In korte tijd ben je er aan gewend en neem je de nodige maatregelen die je in de training hebt geleerd om jezelf en je kameraden te beschermen.

De eerste nacht op post is een kwestie van wennen.

Je bent gespannen en hoort overal extremisten.

Volgens mij zijn in de eerste nacht heel wat vuurvliegjes gesneuveld.

In korte tijd kwam er een goede vuurdiscipline en schoot je niet meer op een verdwaalde kip

Die in het voorterrein rond scharrelde.

Je leerde booby-traps opzetten en maakte een stormaanval van fanatieke Hizboelahs mee.

Je schoot je eerste tegenstander neer en verwekte dat ieder voor zich.

Op patrouille pas je de technieken toe die je geleerd waren in de training.

Op de eerste verlieslijst kwam je namen tegen van jongens die je persoonlijk had gekend.

Tijdens een patrouille waarna ons peloton een afsluitings operatie uitvoerde liep Willy Aartsma uit Brunssum op een mijn.

De hospik welke Willy wilde helpen liep eveneens op en mijn en beiden waren op slag dood.

Voor mij was dit een flinke schok.

Willy was geboren in Roosendaal en gezien ik Roosendaler was hadden we wat ervaringen uitgewisseld.

Wil was een beetje een ruig type,had wat aan gewichtheffen gedaan en had een hart van goud.

 

 

De nacht na het sneuvelen van twee van onze jongens hadden we met een verrassingsaanval te doen.

Deze liep vast in de versperringen van de verdedigingslijn en s’morgens hadden we de lijken laten ophalen door naburige kampong bevolking om ze te begraven.

Overigens was het niet zo prettig meer op de post waar wij lagen.

De artillerie had een batterij gelegerd kort achter onze opstellingen.

S’Nachts kwamen die nogal eens in actie en vielen de dakpannen van de huisjes waarin wij gelegerd waren door de klamboe op je donder.

Slapen was niet zo eenvoudig als de batterij in actie kwam.

Plotseling kreeg ik opdracht om het mitrailleurspeloton te verlaten en me te melden op het Perak in Soerabaja bij de CDT Amphibie Track Compagnie.

Blijkbaar had men wat leiderscapaciteiten ontdekt daar ik vernam dat ik na een bliksemopleiding tot sergeant benoemd zou worden.

Een beetje uitleg inzake deze situatie zal het e.e.a. wel verduidelijken.

Door de plotselinge capitulatie van Japan werden de transporten van mariniers vrijwilligers uit Holland naar Amerika stopgezet.

Het materiaal voor bepaalde afdelingen was in Indonesea aangekomen maar er was nog geen personeel.

De bedoeling was dat het personeel hetwelk de eerste training in Holland had gevolgd naar Ned-Indië werd gezonden ter aanvulling en speciale training om de brigade compleet te maken.

In een zeer korte tijd ontving ik met wat anderen een gerichte training als amphibie specialist.

Ik had behoorlijk mijn best gedaan en werd bevorderd tot sergeant der mariniers met als functie opvolgend Pelotons CDT Amphibie Track Compagnie.

Sergt.Majoor Brinkhorst, van Dien en luitenant Bierman brachten ons in zeer korte tijd bij hoe we het logge gevaarte van 24 ton te land en te water konden besturen.

Wim van Gennip en Cees Buis waren de sergeanten die ons de verbindingen en de radio leerden beheersen.

Ik hoor Wim nog de uitleg geven van armseinen.

“Armseinen zijn seinen, die men seint als andere seinen kapot zijn”.

Kort hierop arriveerde de eerste hap uit Holland om te worden opgeleid tot Amphibie-isten.

We hebben wat afgelachen in deze opleiding.

Mijn nieren hadden het meest te lijden want de diverse mariniers hadden vooral in het begin nogal wat moeite om de amphibie-tracks over een heuveltje te loodsen zonder teveel klappen

en schokken.

 

In een zeer korte tijd was de compagnie geactiveerd, reden en voeren of ze nog nooit anders hadden gedaan, gebruikten de SCR624 op de juiste wijze en schoten met .50 en .30 de sterren van de hemel.

In straat Madoera werd het natte gedeelte geoefend.

Formatievaren, landingsoefeningen en schieten op de overkant waar op een pier van Madoera de ALRI een post had die af en toe probeerden onze oefeningen te verstoren met wat mitrailleur vuur.

Het was verwonderlijk te constateren dat de jonge mariniers uit Holland overgekomen zo snel van aannemen waren, maar aan de andere kant deed je dat beseffen dat de opleiding in Holland ook door 1665-ers werd geleid en dat de resultaten navenant waren.

Een mooi voorbeeld van accepteren van juiste situaties deed zich voor toen uit Holland arriveerden de korporaals der mariniers Verouden en Waasdorp.

Ze waren beiden 1665-ers , hadden in Duitsland gevangen gezeten en via een korte herhalingsperiode in Rotterdam naar Indië gezonden.

Ik was 19 jaar, Sergt. OVW en kreeg twee korporaals die beiden bijna net zoveel dienstjaren in het korps hadden dan ik oud was.

Ze moeten raar opgekeken hebben zich te moeten melden bij een jonge snotneus van een sergeant, daarnaast nog een OVW-er ook.

Ze hadden er schijnbaar geen moeite mee.

Vrij kort daarop werden ze zelf bevorderd tot sergeant dus hoefde het geen problemen te geven.

Het tekent wel de wijze van acceptatie die in de opleiding van deze overigens verdomd fijne kerels een grote rol had gespeeld.

Op het sociale front deed ik nog een komische ervaring op.

Veel mariniers hadden wat genoemd werd ‘’aan de wal” wat losvaste verkering.

Ik had ook zoiets en verbleef daardoor nogal eens in Hotel Kaliasin.

Op een zaterdagavond zat daar een klein bandje te spelen en kon men op een dansvloertje de bene strekken.

Vanwege de warmte had ik in plaats van mijn mariniershemd met rangonderscheidings- tekenen een mooi burger wit hemd aan.

Ik beschouwde Hotel Kaliasin zo een beetje als mijn huis.

Tot mijn verbazing zag ik plotseling Majoor Pronk met een fantastisch stuk over de vloer schuifelen.

Of Pronk nu en schuinsmarcheerder was of niet maar rondkijkend ging hij zo’n beetje alle mooie meisjes af voor een dansje.

Als een heer vroeg hij me dan ook om een keer met mijn stuk te mogen dansen hetgeen ik genadig toestond en van de gelegenheid gebruik makend om zijn stuk eens uit te proberen.

Toen ik haar terug bracht bedankte ik haar en tevens hem, hij keek me aan en zei:”Ik ken je nog wel , marinier”.

“Pardon Majoor, sergeant der mariniers zult U bedoelen”.

“Dat kan ik nergens zien Marinier”.

Drie dagen later had ik een berisping mondeling ten uitvoer gebracht te pakken wegens “het verkeren in burgeromgeving niet gekleed in het voorgeschreven tenue”.

Dat was Pronk, hij vergat je naam nooit!

Nadat de Compagnie volledig en opgeleid was gingen we de eerste acties in.

We vervoerde mariniers over land, ondersteunden ze met onze mitrailleurs en acties als “Trackman”en “Quantico” deden ons beseffen dat onze tracks vele mogelijkheden boden.

Overigens vonden de mariniers die vervoerd werden het binnenste van een Amtrack nou niet bepaald aangenaam.

Ze werden als vee door elkaar geschud vooral als door geaccidenteerd terrein werd gereden met wat snelheid.

Bij een actie nabij Diaredja voeren we door de Kali Mas en dat was wel aangenamer.

Overigens liep in de Compagnie een bijzonder figuur rond in Limburgse schietkringen wel bekend om het vieren van Nieuw Jaar in Don Quichotte.

Zijn voorliefde voor harde knallen bleek vroeger al bij een actie waar hij als 1e luitenant der mariniers meehielp wat bommen te verwijderen onder een brug. 

 

Zoals een hoop figuren bezat hij een in elkaar geflanste Ford waarvan het bovenste gedeelte afgezaagd was.

Bij de opening van de cantine bleek hij een bijzonder opofferend mens te zijn gezien hij met zijn mede collega’s de chaperonnes van de weesmeisjes die op de partij waren uitgenodigd, bezighield zodoende de mariniers gelegenheid gevend van de geneugten van snel opbloeiende liefdes ongestoord te genieten.

Eindelijk werd mij de kans gegeven mijn vader te pakken te nemen.

Kort voor de politionele actie kreeg ik bericht dat mijn vader als transportonderofficier met de Sibajak een aantal aanvullingen voor de brigade zou arriveren.

Mijn peloton kreeg de eer om de Sibajak bij aankomst te mogen begroeten door wat demonstraties op het water te geven met onze Amtracks.

Toen dit gebeurd was en de Sibajak aan de kade lag melde ik mij bij de MP. Officier aan de looplank gezien een gedeelte van de Zeemiliciens aan boord voor onze compagnie was bestemd.

Dit bleek de kapt.Dourlein te zijn die met een grijns op zijn gezicht me vertelde dat een zekere sergt. Heitzer zich bij mij moest melden met de aanvulling.

Ik vroeg kapt.D er op toe te zien dat de Sergt. zich meldde bij de Amtracks die voor de neus van de Sibajak waren gemeerd.

Ik ging snel terug naar mijn peloton om hen wat uitleg te geven en te zorgen dat alles 100% model zou verlopen.

IJsberend en wat ongeduldig uitziend liep ik voor mijn Amtracks heen en weer.

Ik hield de loopplank in de gaten en zag van een afstand de ouwe Heitzer naar beneden komen gevolgd door een aantal onder plunjezakken bedolven mariniers.

Vanuit een hoek uit mijn ogen zag ik de kapitein Dourlein mijn richting uit wijzen.

De ouwe moet wat in de gaten hebben gehad want hij marcheerde de troep model af tot voor de Amtracks en liet ze hun plunjezakken neerzetten.

Nadat hij zijn groep model had laten uitrichten meldde hij zich als volgt:

“Sgt.Heitzer, de Sgt.Heitzer meldt zich volgens opdracht met 16 mariniers”.

“O.K., Sgt.Heitzer, zet U ze maar op de plaatst rust en laat ze zich over de Amtracks verspreiden”.

Hij bracht de groet ,maakte rechts omkeert met een stalen gezicht en gaf zijn mannen opdracht te doen wat ik hem zojuist had bevolen.

Ik had moeite gehad om net zo’n stalen gezicht als hij had te bewaren en toen hij weer bij me kwam barstten we allebei in lachen uit.

“Je had zeker gedacht deze ouwe een oor aan te naaien, maar ik had je wel door”.

zei hij lachend.

Gedurende de 14 dagen dat hij in Soerabaja was bracht hij wat bezoeken aan de compagnie waar we hem een beetje wegwijs maakten omtrent onze taak en wat tochtjes in de Amtrack lieten meemaken.

s’Avonds maakte hij kennis met de andere officieren tijdens het befaamde spel “Bamzaaien”en had hij weldra in de gaten dat de literflessen Heineken zeker zo’n goed bier was als het Hollandse bier waar hij aan gewend was.

Met het vliegtuig ging hij weer naar Negeri Belanda toe nadat hij eerst nog het stuk had leren kennen met wie ik die tijd zware verkering had.

Kort daarna begon de politionele actie.

Onze compagnie was verspreid over de verschillend colonnes.

Ons deel was Malang.

Wij maakte deel uit van een gecombineerde landmacht-Mariniers en Knil eenheid.

In de diverse verslagen over deze actie is genoeg geschreven hoe alles zo in zijn werk ging en wilde ik me beperken tot wat opmerkingen over de kwaliteit en hoedanigheden van onze verse krachten in mijn Peloton.

De pelotonscdt Lt.Moerkerk was een zeer bijzondere man.

Een figuur als een zwaargewichtbokser met een voorliefde voor afwijkende hoofddeksels.

Behalve zijn pet die afweek van de anderen, waren een bolhoed en paraplu en een Stedson atributen welke hij gaarne droeg bij Compagnie en Pelotonsfeesten.

Hij had een stem als een orgel.

Als opvolgende pelotons-commandant beschikte ik over drie sectiecommandanten, allen O.V.W.-ers.

Sgt.Rietkerk uit Rotterdam, Sgt.van Oord uit Werkendam en Sgt.Pelzer uit Vaals.

De laatste had ook de meeste moeite zich verstaanbaar te maken gezien zijn dialect nogal eens overheerste vooral als hij kwaad werd en dat werd hij nogal eens.

Alle drie waren prima krachten.

De meeste korporaals waren O.V.W.-ers die op het laatste moment niet meer naar Amerika waren gestuurd en de basisopleiding in Tilburg en Volkel voltooid hadden.

Daarnaast was de rest van het Peloton zeemiliciens die hun opleiding in Bergen op Zoom doorstaan hadden.

In mijn peloton waren de Z.m-ers of zeemeeuwen zoals wij ze noemden allen opgeleid door mijn vader.

Behalve een enkele uitzondering waren allen vol goede wil en hadden in het peloton snel hun plaats gevonden.

Tijdens acties bleken ze snel gewend te zijn aan gevaarlijke omstandigheden.

De Amtracks waren zeer goed onderhouden en de meeste waren bijzonder goede schutters met de .30 en .50.

De discipline was zeer goed hetwelk een gevolg was van de goede training in de basisopleiding waar het accent was gelegd op de innerlijke discipline.

Ik kan me ook niet herinneren een van de knapen ooit enkele moeilijkheden heeft gegeven.

De mooiste tijd die ik me kan herinneren was de plaatsing in Batoe.

Het was een klein plaatsje op de weg van Malang naar Poedjon in de bergen.

En landmachteenheid 3-5 RI verdedigde daar de status Quo lijn en een van mijn secties was daar geplaatst om de landmacht wat vuursteun te geven.

De kapitein Veenstra van 3-5 RI verzocht mij een buitenpost te bemannen.

Een van de Amphibietanks werd opgesteld bij het huis van Tjoe Sie Lien een eigenaar van wat textielfabrieken.

Dat was dan ook te merken aan het huis.

Een dubbele oprijlaan met palmen en een grote galerij was de voorzijde.

Een kamer was wel 20 meter met in het midden een eettafel van een meter of 15 met handgesneden stoelen, een piano, glas in lood ramen met de landkaart van Oost-Java was de mooiste in het huis.

Een der slaapkamers met een groot Chinees huwelijksbed waar je wel met 6 man in kon slapen werd mijn kamer.

De achterkant van het huis bestond uit twee galerijen met in het midden een mooie tuin met fontein en vijver met sluiervissen.

Aan het eind van een der galerijen stond een soort van torentje hetwelk werd ingericht als mitrailleurspost.

Het zag uit op d hellingen van het vijandelijk gebied.

De achtertuin bezat een overdekt zwembad en was beplant met djeroekbomen.

De voorgalerij werd met behulp van zandzakken ingericht als .50 stelling en zag uit op een aantal huizen, een brugje over een ravijn en een vallei met daarachter oplopend laag gebergte.

Het huis was omgeven door een ca. twee en een half meter hoge muur aan de achterzijde en een wat lagere muur aan de zijkanten van de voortuin.

De inritten werden voorzien van Friese ruiters.

De bovenzijde van de hoge muur met concortina en boobytraps werden uitgezet aan de buitenzijde van de muren.

De afstand van de muren tot het huis lag buiten handgranaat werpafstand zodat we een uitstekend beschermde stelling bezaten.

Ik kreeg wat landmachters toegewezen als schutters en zo gingen we de eerste nacht in.

De afstand van de verdedigingslijn van Batoe tot onze buitenpost was ca. 1 kilometer.

Wij lagen binnen het bereik van het mortierpeloton van 3-5 RI wanneer we vuursteun nodig hadden.

De eerste nacht was meteen pen uit.

Van alle kanten kwamen de peloppers en schoten de pannen van het dak.

Het enige wat wij konden doen was het lokeren van individuele schutters en daar op was het vuur uit te brengen.

Om wat bij de hand te hebben had men een Japans kniemortier ter beschikking gesteld om de directe omgeving vrij te houden van peloppers.

Ik begrijp nog steeds niet dat dit type wapen niet ingevoerd is in een infanteriepeloton.

Vooral op kleine patrouilles kan het bezitten van een klein mortier zeer belangrijk zijn.

En het over het handje schieten is zo geleerd.

Wij hadden er bijzonder veel gemak van als de andere kant soms een beetje dichtbij kwam.

Een van de meest komische voorvallen deed zich voor tijdens een maaltijd op de buitengallerij.

Een van die figuren van 3-5- RI was een jongen uit Amsterdam, dienstplichtig en overtuigd communist.

Hij had mij verteld dat hij niet op de Indonesiërs zou schieten.

Van de Comp.Sergt.Majoor had ik gehoord dat enkele militairen van 3-5 RI onder protest naar Indië waren gezonden.

Toen Moos mij de uitleg gaf dat hij niet wilde schieten op de vijand vroeg ik hem of hij op wacht wilde staan om te waarschuwen wanneer er ongewenste personen in het voorterrein waren.

Daar had hij geen problemen mee.

Moos klom juist naar boven om de wachtpost in het torentje af te lossen toen wij hoorden dat in het voorterrein een mortier werd afgeschoten.

Wij doken onmiddellijk onder die zware houten tafel voor dekking.

Moos was halfweg d ladder toen de mortiergranaat precies onder de ladder ontplofte.

Gelukkig was hij reeds hoog genoeg op de ladder zodat hij maar enkele kleine scherfjes in zijn benen kreeg.

Hij had de tegenwoordigheid van geest om zich aan de rand van de mitrailleur opstelling vast te grijpen.

Nog nooit heb ik in zo’n korte tijd zovele Amsterdamse vloeken horen rollen, hij slingerde zich achter de mitrailleur en begon het voorterrein onder vuur te nemen net zolang tot de loop van de .30 roodgloeiend stond.

Wij hebben nooit meer problemen gehad met Moos, integendeel, hij was de eerste die zich vrijwillig voor een patrouille meldde.

En als hij de kans kreeg een van de andere kant te pakken te nemen met zijn Lee Enfield demonstreerde hij ook nog eens dat hij een uitstekend schutter was.

Een ander voorval kostte mij bijna mijn strepen.

Gezien er elke dag en nacht werd geschoten raakte je daar zo gewend aan dat een zekere nonchalance om in dekking te gaan niet kon uitblijven.

Daar er een officieel staakt het vuren bestond wat overigens door onze Indonesische tegenstanders niet werd nagekomen, was er door de Veiligheidsraad een commissie van controle ingesteld.

Deze controle commissies bestonden uit officieren van diverse Nationaliteiten.

Een van deze commissies bezocht onze stelling in gezelschap van Generaal de Bruin, in die tijd Cdt.A-divisie.

Terwijl ik uitleg stond te geven op de voorgalerij bij de .50 inzake het voorterrein, werden we plotseling onder vuur genomen.

Logischer wijze lag het hele gezelschap plat achter de zandzakken en stond ik nog rechtop te kijken waar het vuur vandaan kwam om de mitrailleurschutter aanwijzingen te geven waar zijn vuur op uit te brengen.

Een bulderende stem achter de zandzakken riep:”Sergeant, wil je als de donder dekking zoeken”.

De stem bleek van de Bruine te komen, die mij staandebeens een knetterende uitschijter gaf dat ik niet in dekking lag.

Naast hem liggend werd mij verteld dat het juist deze nonchalance was die onnodige verliezen veroorzaakte.

Hij had gelijk, dat wist ik en verontschuldigde mij meteen.

Toen ons mitrailleursvuur de tegenstander had verdreven, vertelde de Generaal me dat ik vrij dicht bij een degradatie had gestaan maar dat een goede koffie een hele boel had goedgemaakt.

 

We vermaakte ons overigens best in Batoe, alleen Cees de Groot had altijd balen als hij materiaal en post vanuit Malang naar Batoe moest brengen vanwege de Indonesiërs die hun uiterste best deden om het kleine convooi ,dat elke twee dagen de verbinding vormde tussen de eerstgenoemde steden, naar de hel te jagen.

Ik kwam in het bezit van een paard welk tijdens een patrouille in een kampong werd gevonden.

Het bleek een artilleriepaard van het KNIL van voor de oorlog te zijn.

Als ik naar de kapper ging stalde ik het naast het fietsenrek wat op het trottoir voor de kapperszaak stond.

Als Cees de Groot op bezoek kwam was er altijd een session op onze post.

Cees achter de piano,Nieuwenhuizen gitaar en ikzelf achter de bas.

Tot op een goede dag de KL een feestje wilde geven en onze piano en bas confiskeerden.

Alhoewel wij alle moeite deden om e.e.a. terug te krijgen lukte dit niet en werd mijn paard ook weggeorganiseerd.

Overigens bestond er een uitstekende verhouding met 3-5 RI.

De plaatselijke politie stond onder leiding van een Chinese Inspecteur de Heer Liem.

De samenwerking met de politie was meer dan goed.

Samen met een sectie van de Inlichtingendienst van het KNIL zorgden zij voor de gegevens waardoor het ons mogelijk werd gemaakt hinderlagen op tijd op te ruimen.

Met wat acties in de buurt, met behulp van een peloton parachutisten van het KST werd het wat rustiger in de buurt van Batoe en konden wij weer eens terug naar Soerabaja.

Inmiddels was voor mij de tijd gekomen om naar Negeri Balanda terug te keren.

Ik had daar niet veel zin in en vertrok dan ook per 1 juni 1948 naar Nieuw Guinea om daar in de olieboring van NNGPM te gaan werken als operator.

Zo ging je dan uit de Brigade waar je drie en een half jaar in gediend had.

Op het moment dat je er uit stapte was je Marinier 1e KL.

Je raakte je rang kwijt, een hand van de chef equipage was de manier waar het Korps vaarwel tegen je zei.

Er is mij gevraagd om dit artikel te schrijven als een O.V.W.-er, hoe je tegen het korps opkeek.

Ik had veel uitgebreider kunnen zijn maar dat was in de korte tijd die me gegeven was niet mogelijk.

Het besluit zou een denken,gedenken, herdenken moeten zijn.

Dan gedenk en herdenk ik af die vrienden op Kembang Koening die net als ik het leven van een marinier begonnen en niet zo gelukkig waren als ik om dit alles na 40 jaar nog eens naar boven te halen.

 

 

Zij zagen de toekomst net als ik, maakten mee wat ik meemaakte.

Ze waren soms heel erg jong of wat ouder, ze deden hun plicht met de zelfdiscipline die ze opgedaan hadden in een keiharde training.

Zij deden toen hun plicht en oud-marinier, wat doe jij nu?

Blijf je thuis zitten en laat je alles over je heenkomen.

Kom je allen naar de reünie in de hoop nog eens je oude maten te zien.

Denk eens terug aan die jaren in Engeland, Amerika en Indonesia toen je er niet aan dacht om je kameraden in de steek te laten.

Toen je naast die uiterlijke discipline een innerlijke discipline bezat.

Je was trots op het korps, dat je erbij hoorde.

Wat nu, oud-marinier, ben je er een die liever afbreekt dan opbouwt.

Generaal de Bruine heeft bij de oprichting van het COM de woorden uitgesproken, die ons opwekten de geest die we toen bezaten te behouden en uit te bouwen.

Vereend in diezelfde geest dien je op te bouwen en niet af te breken.

Ik was een snotneus van 17 jaar indertijd.

40 Jaar later durf ik eerlijk en onverbloemd te stellen dat wat ik geleerd heb in de opleiding, de geest van opoffering, kameraadschap en allen voor één, één voor allen, mijn leven rijker hebben gemaakt.

Ik moet ook stellen dat sommigen van ons die geest niet meer bezitten.

Ze breken liever af wat duizenden hebben getracht te behouden.

Aan de wortels van de afbraak staan oud-mariniers die ook in de Brigade dienden.

Waarom, vraag ik me af?

Moet men omdat iets je niet zint een hele afdeling riskeren.

Valt er niet meer te praten?

Ik dacht dat je als marinier wel voor moeilijker zaken had gestaan.

Toon dan dat je de geest van het korps waarin je diende waardig bent en vraag dan eens voor de spiegel staand:

“En wat nu, oud marinier”?

 

Ja, vertaal de spreuk in het korpswapen nog maar eens voor de duizendste keer:

“IK ZAL HANDHAVEN”

“ZO WIJD DE WERELD STREKT”.

 

November 1984, John H.G.Heitzer.

                                                                                                              

Naar  TOP.

 

                                                                                              NAAR INDIE VETERANEN

 

 

                                                          


Laatste wijziging op: 23-06-2008 08:58