HOME | STAAT VAN DIENST | FOTO'S | KRIJGSGEVANGENSCHAP | NEDERLANDS-INDIE | SCHEPEN | NOSTALGIE | AMCO | GASTENBOEK | LINKEN | VERHALEN | INDIE VETERANEN | INFO | MUZIEK | OPROEP VETERANEN | VERHALEN VAN KRIJGSGEVANGENEN. | GESCHIEDENIS 1 | GESCHIEDENIS 2 | GESCHIEDENIS 3

 

 

 

                             

 

                                                         GESCHIEDENIS  2

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Bron:Onze jaren 45-70. Geillustreerd verzamelwerk in 120 weekafleveringen.

DE INDIE-POLITIEK TOT EN MET HET AKKOORD VAN LINGGADJATI (25 MAART 1947).

 

 

AKKOORD VAN HET WANTROUWEN

 

Op 10 augustus 1945 kwam in Den Haag de Raad voor Oorlogsvoering bijeen, een kern uit het kabinet, uitgebreid met de chefs van staven.

Op Hirosjima en Nagasaki waren atoombommen gevallen, Japan stond op het punt te capituleren – maanden eerder dan de geallieerden voor de atoombom hadden verwacht.

De stemming in het Nederlandse kabinet was allerminst uitbundig.

De minister-president, prof. Dr. Ir. W. Schemerhorn, die nog heel wat te maken zou krijgen met Indonesie, vroeg zich af wat de Japanners in Nederlands-Indie zouden doen:doorvechten of capituleren.

‘In beide gevallen moeten wij dan weten wat wij willen en kunnen. Het laatste hangt mede af van onze bondgenoten’.

Zo staat het beschreven in de notulen die een kwarteeuw later zijn gepubliceerd, samen met andere geheime regeringsstukken.

En dan staat er verder in die notulen: ‘De voorzitter ziet dit alles in een somber perspectief’.

Nauwelijks minder pessimistisch was de bewindsman van overzeesche gebiedsdelen, de nieuwe naam die het oude ministerie van kolonien een half jaar tevoren had gekregen.

Minister J.H.A. Logemann, oud-hoogleraar aan de Rechtshogeschool te Batavia en zelf nog maar twee maanden in functie, zei ronduit wat iedereen moet hebben gedacht: ‘Administratief en organisatorisch komt dit nieuws te vroeg’.

Nederland worstelde zelf met een gebrek aan alles.

Hoe moest in een paar weken of maanden een bestuurs-en deskundigenapparaat voor Nederlands-Indie uit de grond worden gestampt, een leger geformeerd en naar Batavia worden overgebracht? En hoe zou de toestand er daar uitzien?

Schemerhorn sprak opnieuw profetische woorden, toen hij zei dat’aanvankelijk de toestanden in Nederlands-Indie zeer ongeregeld zullen zijn en men ook niet geheel zeker zal zijn omtrent de houding van de Inheemsen’.

 

De ‘Inheemsen’...Op 17 augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie, proclameerden Soekarno en Mohammad Hatta de Republiek Indonesia.

De Nederlands-Indische regering, in Brisbane (Australie) zetelend, ving een radiobericht op dat de luitenant-gouveneur-generaal dr.H.J. van Mook een paar dagen later terloops in een van zijn lange rapporten aan Den Haag doorseinde:

“Blijkens opgevangen internen omroep uit Bandoeng zal Japansche Opperbevelhebber intussen republiek Indonesia heden uitroepen met Soekarno als president en Hatta als vice-president’.

 

Den Haag schonk er, bij al zijn moeilijkheden niet te veel aandacht aan.

Het eerste uitvoerige overzicht van wat er in Batavia allemaal gebeurde, kon Van Mook 9 nog steeds in Brisbane) pas op 16 septembernaar Den Haag sturen en niet eerder dan 26 september volgde na de vloedgolf van geruchten en krantenberichten de eerste vergadering van het Nederlandse kabinet waarop de proclamatie van de republiek serieus besproken werd.

Het waren de schemerweken van nazomer 1945.

Tussen de capitulatie van Japan op 15 augustus en de aankomst van de eerste geallieerden (Britse) troepen op Java, 29 september. Ging de politieke ontwikkeling in Indonesie haar snelle gang, haast onzichtbaar voor de buitenwereld.

Voor Nederland stond vast dat de republiek Indonesia, die zo duidelijk in samenhang met de Japanse capitulatie was geproclameerd en waarvoor het Japanse opperbevel voor Zuid-Azie nog begin augustus Soekarno en Hatta in Saigon had ontvangen, het werk was van collaborateurs.

Een land dat pas zelf bevrijd was van de Duitse bezetting en maar al te veel met collaboratie te maken had gehad, was niet in de stemming om de werkelijke achtergrond van de Indonesische proclamatie te onderzoeken.

Van wat er in die zes of zeven schemerweken in Batavia gebeurde, had Van Mook intussen een heel wat beter idee gekregen dan de regering in Den Haag.

Zodra hij begin oktober in Indonesie arriveerde, kwam hij onder de indruk van de realiteit die de republiek al was geworden.

Daartoe hadden trouwens de Britse commandanten en hun hoogste chef, admiraal lord Lois Mountbatten, opperbevelhebber van het Zuidoost-Azie Commando in Singapore, het hunne bijgedragen.

Bevreesd voor een herhaling van Griekse toestanden – waar Britse troepen die meenden te komen als bevrijders, betrokken waren geraakt in een bloedige burgeroorlog – probeerden zij de medewerking van de republikeinse leiders te verkrijgen.

Dat kwam neer als een onofficiele erkenning van de republiek en gaf de republikeinse leiders zelfvertrouwen.

Onder zware Britse druk stemde Van Mook toe in ontmoetingen met de Indonesische vertegenwoordigers, ook met Soekarno, hetgeen de Nederlandse regering uitdrukkelijk verboden had.

Wat Den Haag niet besefte, was dat in Batavia en elders in Indonesie een ware revolutie aan de gang was en dat in sommige streken door ongeregelde Indonesische troepen die over Japanse wapens beschikten, gevechten geleverd werden met Japanners, Britten en Nederlanders tegelijk.

In Japanse interneringskampen bevonden zich nog 150.000 Nederlanders en Indische Nederlanders.

Hun bevrijding kon bij gebrek aan Nederlandse troepen en gezien de Britse onmogelijkheid gewapenerhand in het binnenland door te dringen ,alleen in samenwerking met de Indonesiers geschieden.

 

 

 

EEN GROTE FOUT.

 

Toen het bericht dat Van Mook toch met Soekarno had gesproken, in Nederland werd ontvangen, stak een ware storm op.Hij werd door het kabinet openlijk gedesavoueerd en de ministers Schemerhorn en Logemann gingen op 2 november naar Londen, waar koningin Wilhelmina tijdelijk verbleef, om haar medewerking voor het ontslag van Van Mook te vragen. Hare Majesteit weigerde echter.

Zij vergeleek de positie van de luitenant-gouveneur-generaal met die van een opperbevelhebber.

‘Er is ongetwijfeld door hem eem grote fout begaan.Hierop kan het kabinet reageren op elke wijze die het wenst, doch niet met ontslag. Het zou onjuist zijn om in de hitte van het gevecht van Opperbevelhebber te wisselen’, zo vatte de notulist haar woorden samen.

Al een paar dagen later kwam het kabinet, hier zo duidelijk door koningin Wilhelmina terechtgewezen ( een staartje van haar persoonlijke regeertrant in de Londense oorlogsjaren ), trouwens ook zelf tot andere conclusies.

Over een verbod van contact met Soekarno werd later niet meer gesproken, maar toch zal het rumoer in Nederland ertoe hebben bijgedragen dat Soekarno zich in het gesprek met de Nederlanders wat meer op de achtergrond hield.

In het interne politieke spel aan republikeinse kant was nu het uur van Soetan Sjahrir aangebroken.

Hoewel hij evenals Soekarno en Hatta voor de oorlog door de Nederlanders naar een afgelegen deel van Nederlands-Indie was verbannen en pas bij de komst van de Japanners naar Java mocht terugkeren, was Sjahrir een van de leiders van het anti-Japanse verzet geweest.

Hij had sedert de zeventiende augustus 1945 geageerd tegen de groep pro-Japanse ‘collaborateurs’in het kabinet van Soekarno.

Op 14 november werd Sjahrir minister-president ( een functie die onder de eerste naoorlogse staatsregeling niet bestond) en vormde hij een nieuwe regering die voor Nederland een veel aanvaardbaarder gesprekspartner was.

Op 17 november werd in Batavia-Djakarta onder vorrzitterschap van de Britse generaal sir Philip Christison een eerste formele ontmoeting gearrangeerd tussen Van Mook en Sjahrir.

Daar lag het begin van de onderhandelingen die met vele onderbrekingen en in diverse gedaanten ruim vier jaar zouden duren.

 

 

 

WEINIG SYMPATIE VOOR NEDERLAND.

 

Om de zwakheid van de Nederlandse positie in november 1945 te beseffen dient men zich te herinneren dat er in Nederland nog maar pas een eerste stap was gezt op de weg naar’herstel en vernieuwing’(motto van het kabinet Schemerhorn) en dat er internationaal zacht gezegd weinig sympatie bestond voor de Nederlandse zaak.

De Britse regering, sedert kort van socialistische signatuur, had de handen vol aan haar eigen koloniale problemen.

De oplossing daarvoor werd bemoeilijkt door de aan Engeland en Britsch-Indische troepen opgedrongen rol in het Indonesische conflict.

Enerzijds was de Britse regering geirriteerd door wat zij aan Nederlandse kant beschouwde als gebrek aan inzicht in de nieuwe verhoudingen, anderzijds was zij verlangend zich zo snel mogelijk uit dat wespennest in Indonesie terug te trekken.

Het was dit dilemma dat leidde tot bemiddeling van Britse diplomaten bij de onderhandelingen in Batavia-Djakarta.

De Nederlands-Indische regering, die er met haar neus bovenop zat, had wel gevoel voor de Britse argumentatie en zag de realiteit van het nieuwe Indonesie voor zich.

De Nederlandse regering in Den Haag, vaak in overleg met de Britse regering en langzamerhand steeds beter op de hoogte van wat er in Batavia gebeurde, begon er ook acher te komen: Nederland kon geen vuist maken.

Het moest al pratend met deze en gene proberen uit de chaos een politiek te smeden.

De moeilijkheid was allen dat bijna niemand in Nederland die niet over geheime informatie beschikte, dit alles kon volgen.

Een normaal werkend parlement als klankbord van nationaal politiek verlangen was er niet; de dagbladen bestonden uit vier halve pagina’s per dag.

Het grootste nieuws was niet dat de onderhandelingen met Indonesie in een of andere nieuwe fase waren geraakt, maar dat op bon 8 van de distributiekaart een kilo suiker kon worden gekocht.

Toen in april 1946 een Indonesische delegatie in Nederlands kwam onderhandelen konden weinig Nederlanders zich een beeld vormen van wat de voorgestelde Verenigde Staten van Indonesie, met de Republiek als een van de deelgenoten, nu eigenlijk betekende.

In plaats van door zoveel mogelijk openbaarheid de publieke opinie rijp te maken voor de noodzakelijke ingrijpende veranderingen in de staatkundige grondslag van het Koninkrijk, hield de Nederlandse regering de Hoge-Veluweconferentie letterlijk achter prikkeldraad.

 

 

DE GROTE STRIJDVRAAG.

 

De onderhandelingen mislukte op een punt dat in feite nooit werd opgelost, hoewel akkoorden er tussen 1946 en 1950 ook werde gesloten: kon de republiek als draagster van het Indonesische nationalisme – wat zij ongetwijfeld was – fungeren als vertegenwoordigster van het gehele Indonesiche volk, of kon zij alleen optreden namens de gebieden waar zij daadwerkelijk de macht uitoefende?

Van Mook , op de Hoge Veluwe aanwezig, en de Nederlanders dachten het tweede , de Rebuliek het eerste.

Maar dit dilemma werd naar buiten niet bekend.

De Nederlandse regering wilde niet eens bekend maken dat de conferentie mislukt was.

Achteaf gezien is het geen wonder dat een groot deel nvan het publiek in Nederland ( en in Indonesie) achterdochtig naar het prikkeldraad van de Hoge Veluwe keek. Wat gebeurde daar?

In de Volkskrant schreef prof. Mr. C.P.M. Romme, - coming man van de Katholieke Volkspartij, maar nog geen kamerlid – een fel, door de komende verkiezingen geinspireerd artikel over ‘De week der schande�.

Ook zonder deze waarschuwing hadden de Nederlandse onderhandelaars begrepen dat voor de verkiezingen geen ingrijpende beslissingen genomen konden worden.

Het nieuwe kabinet, nu onder leiding van de KVP-man dr. L.J.M. Beel, besloot een com issie-generaal in te stellen voor de onderhandelingen met de Republiek.

Voorzitter werd oud-premier Schemerhorn.

Van Mook was ambtshalve lid, de twee andere leden waren het KVP-kamerlid M.van Poll en de Amsterdamse reder F.de Boer.

 

 

De commissie-generaal in onderhandeling met de gedelegeerden van de republiek. Van links naar rechts: F.de Boer,  premier Soetan Sjahrir,  prof.ir. W.Schemerhorn,  voorzitter van de commissie-generaal dr. H.J.van Mook en Max van Poll.

 

 

 

 

De Indie –politiek van Nederland van maart 1947 tot de tweede politionele actie (19 december 1948).

 

Van aarzeling naar actie en omgekeerd.

 

Op 25 maart 1947 werd in het vroegere paleis van de gouverneurs-generaal te Batavia het

Akkoord van Linggadjati tussen Nederland en de Republiek Indonesie ondertekend.

Vier maanden daarvoor was het in een sfeer van groot optimisme al door de onderhandelingsdelegaties geparafeerd, maar pas na scherpe onderhandelingen over de interpretatie hadden de twee betrokken regeringen de ondertekening goedgekeurd.

Die tussentijd was te lang geweest.

Prof.dr.W.Schemerhorn, de voorzitter van de comissie-generaal die voor Nederland de onderhandelingen over Linggadjati had gevoerd, had nog goede hoop voor de toekomst.

Het was trouwens waar dat Nederland en Indonesie, ondanks alle spanning en argwaan, eerder dan wie ook een nieuwe verhouding hadden geformuleerd.

De andere koloniale mogendheden in Azie, Engeland en Frankrijk,waren nog bezig met oplossen van wat in deze naoorlogse jaren schoorvoetend werd ondertekend als een van de urgente wereldproblemen: het kolonilale vraagstuk.

Nederland en de Republiek van Indonesie hadden bij het Akkoord van Linggadjati afgesproken dat het republikeinse gezag ‘de facto’zou worden erkend over heel Java.

Madoera en Sumatra- een van de vele compromisformuleringen die de latere ellende al in zich droegen, want van meet af aan bestonden er grote meningsverschillen over wat ‘de facto’nu eigenlijk inhield.

Er zou gezamelijk een federatie worden gevormd,de Vereingde Staten van Indonesie, en Nederland en die federatie zouden samen een Unie stichten, waarvan de koningin het hoofd zou zijn.

Na drie eeuwen van (min of meer) Nederlands koloniaal bewind over de Indische archipel was dit geheel aan afspraken niet weinig-het was mischien zelfs te veel.

Luitenant-gouverneur-generaal dr.H.J.van Mook, de hoofdarchitect van het akkoord( hij had de conceptie van de Vereinigde Staten van Indonesie bedacht),schreef een jaar later dat het akkoord al een dode letter was op het moment van de ondertekening.

Zowel in Nederland als in Indonesie waren er zoveel antikrachten werkzaam,dat het nog bijna vier jaar zou duren eer de conceptie van Linggadjati gerealiseerd was.

En dan nog...

 

De situatie in het voorjaar van 1947.

 

Van Nederland uit gezien zag het er in Nederlands-Indie niet best uit.

Na het vertrk van de Britse troepen, in november 1946, was het verzekeren van de veiligheid in de Nederlandse gebieden een zaak van de Nederlandse strijdkrachten geworden.

Buiten Java en Sumatra was dat al moeilijk genoeg, maar daar was de terugkeer van het Nederlands gezag toch over het algemeen met niet al te grote moeilijkheden gepaard gegaan.

De uitzondering was Zuid-Celebes, een landstreek die in de hele Nederlandse koloniale geschiedenis de naam had van ‘roerig’te zijn.

Door veelvuldig Nederlands ingrijpen in de lokale verhouding bestond er in Zuid-Celebes (evenals b.v. in Atjeh) vanouds een opstandige beweging die nationalistische trekken in zich verenigde.

Zonder dat de buitenwereld er aanvankelijk veel over hoorde,werden bij de bestrijding van deze Indonesische guerrillabeweging door het Detachement Speciale Troepen van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger tussen december 1946 en februari 1947’vele honderden personen op verdenking dat zij zich aan terroristische activiteiten hadden schuldig gemaakt,zonder vorm van proces en veelal zelfs zonder te zijn ondervraagd,geexecuteerd,aldus de regeringsnota van 2 juni 1969 over ‘Excessen in Indonesie begaan door Nederlandse militairen in de periode 1945-1950.

In totaal zijn op Zuid-Celebess tussen de twee-en drieduizend Indonesiers doodgeschoten,althans volgens de Nederlandse rapporten,want van de Indonesische zijde werd en wordt volgehouden dat 20.000 slachtoffers een betere schatting zou zijn.

Het was het ergste, maar niet het enige exces van het Nederlandse en het Nederlands-Indische Leger in deze periode.

Uit de later overgelegde rapporten bleek KNIL-kapitein Raymond Westerling, wiens naam hiermee altijd werd verbonden, niet de hoofdschuldige te zijn.

Zijn opvolgers bij de bestijding van de Indonesische guerrilla’s op Zuid-Celebes maakten het heel wat erger dan hij.

In het voorjaar van 1947 waren de Nederlandse troepen op Java en Sumatra nog opgesloten in de kleine bruggehoofden(primeters, zoals de Engelsen zeiden) die de Britse troepen in 1945 hadden bezet: de steden Soerabaja, Semarang, Batavia en Bandoeng (met de weg via Buitenzorg en omgeving als corridor tussen de tweelaatsgenoemde plaatsen) op Java, en Padang,Palembang en Medan op Sumatra.

Er was in die gebieden geen bewegingsvrijheid,er was schaarste aan levensmiddelen en er was sprake van overbevolking-dit laatste overigens vooral doordat in het voorjaar van 1947 in totaal meer dan honderdduizend militairen van de Koninklijke Landmacht uit Nederland en van het uitgebreide Koninklijke Nederlands-Indische Leger in de zeven steden waren samengeperst.

Het was de grootste troepenmacht waarover Nederland en Indonesie ooit oop een bepaald tijdstip beschikt heeft:vanaf midden 1947 verminderde de sterkte door demobilisatie en repatriering.

Ook economisch en politiek was de positie van Nederland en Indonesie hachelijk.

Terwijl het Nederlands-Indische bedrijfsleven niet op gang kon komen(alle rijke plantagegebieden waren in republikeinse handen) en de Indische regering wel enorme uitgaven, maar ggen inkomsten had, bleef,zoals Van Mook had gevreesd, de overeenkomst van Linggadjati door onderlinge achterdocht en directe tegenwerking inderdaad een dode letter.

Republikeinse guerrillastrijders, die binnen de Nederlandse perimeters waren geinfiltreerd, zetten ondanks een halfhartig afgekondigd bestand hun acties voort;de Indonesische republiek bleef zich gedragen als een souvereine staat in plaats van als(toekomstig) deel van een nog te vormen soevereine federatie, en alle pogingen om het Akkoord van Linggadjati nader uit te werken liepen vast.

Van haar kant beschouwde de Republiek de uitbreiding van de Nederlandse troepenmacht en de economische blokkade van de Javaanse en Sumatraanse uitvoerhavens als strijdig met de letter en de geest van het akkoord.(Vooral van Sumatra werden veel rubber en andere produkten naar Singapore gesmokkeld, waar Nederlandse firma’s hun ‘eigen’rubber en tabak opkochten.)

Gedachten aan en militaire oplosssing bestonden in de kring van de Indische regering en de commissie-generaal al voor de ondertekening van’Linggadjati’.

De betrokkenen waren echter ten prooi aan grote twijfels.

Kon en mocht militair optreden een oplossing zijn?

Het dillema bestond ook voor het Nederlandse kabinet, waarin KVP en PvdA samenwerkten en elk over evenveel ministers beschikten.

Een weigerig van de Republiek me te werken aan de vorming van een gezamelijke gendarmerie, die zouden optreden tegen de vele bestandsschendingen, gaf de doorslag.

Toen ook de commissie-generaal geen andere uitweg meer zag en voor de militaire oplossing koos( Schemerhorn) aarzelend en later met veel spijt, besloot de Nederlandse regering in te gaan op een plan van Van Mook voor een beperkt militair optreden in de vorm van een politionele actie,Operatie Produkt genaamd.

Militair was de eerste politionele actie een succes.

Tussen 21 juli en 5 augustus 1947 werden zonder veel moeite belangrijke delen van Java en Sumatra bezet.

Op Java bleven alleen Bantam(West-Java) en een deel va Midden-Java(waarin het gebied van Jogja,toen nog Djokja, de zetel van de Republiek onbezet; op Sumatra kwamen een deel van de Oostkust(Deli) en het achterland van Palembang in Nederlandse handen.

Het was niet toevallig dat de veroveringen een gedeelte omvatte van de rijkste plantage-en petroleumgebieden.

Weliswaar hadden de terugtrekkende republikeinse troepen veel vernield, maar er werden nog vorraden aangetroffen en hier en daar kwam op weer in gebruik genomen Nederlandse ondernemingen de produktie weer op gang.

De actie bracht aanvankelijk wel de verwachte ‘lucht,voor de benauwde Nederlandse bruggehoofden.

Politiek echter was het succes van Operatie Produkt minder groot.

In Indonesie laaide in de nieuw-bezette gebieden een republikeinse guerrillastrijd op, die de eerste indruk van medewerking of gelatenheid van de Indonesische bevolking al spoedig wegnam.

Internationaal stak een ware storm van anti-Nederlandse gevoelens op, die voor Nederland des te zwaarder te weerstaan was doordat zowel in Engeland als de Verenigde Staten zich tegen het militaire optreden keerden.

Debatten in de Veiligheidsraad, waar wel de vroegere republikeinse premier Sjahier als pleitbezorger werd toegelaten, maar geen pro-Nederlandse Indonesische gedelegeerden,leidde tot een direct internationaal ingrijpen in de Indonesische kwestie.

Op Amerikaans voorstel werd op 25 augustus 1947 een Commissie van Goede Diensten ingesteld,die zouden bemiddelen tussen Nederland en de Republiek Indonesie.

Nederland koos Belgie in de commissie, de Republiek koos Australie en gezamelijk kozen ze de Verenigde Staten als derde lid en voorzitter.

Door het optreden van deze commissie zou de Republiek voortaan ruimere internationale steun krijgen, ook al was ze internationaal nog slechts ‘de facto’erkend.

Ook in Nederland zelf waren de politieke gevolgen van de eerste politionele actie groot.

Aangezien de militaire onderneming op zich zelf snel en met betrekkelijk lichte verliezen was verlopen ( het Nederlandse dodencijfer bedroeg 169, terwijl er in de voorafgaande jaren al 485 soldaten waren gesneuveld),won bij de Nederlands-Indische regering de gedachte veld de bezetting van Java te vooltooien, waardoor,naar men meende, het politieke succes toch meer verzekerd zou zijn.

 

 

Het akkoord van Linggadjati

Bron: Keesings Historisch Archief No.805-17-23 november 1946.

 

Fragmenten uit de overeenkomst tussen Nederland en de Republiek

Indonesie, te Batavia op 15 november 1946.

 

Artikel 1: De Nederlandse regering erkent de regering van de Republiek

                Indonesie als de facto uitoefenend het gezag over Java,Madoera

                en Sumatra.

                De door Geallieerde of Nederlandse troepen bezette gebieden zullen

                geleidelijk, door wederzijdse samenwerking, in het republikeins gebied

                worden ingevoegd.

                Hiertoe zal aanstonds een aanvang worden gemaakt met de nodige

                maatregelen, zodat uiteindelijk op het tijdstip in artikel 12 genoemd de

                invoeging zal zijn voltooid.

Artikel 2: De Nederlandse regering en de regering van de republiek werken samen

                aan de spoedige vestiging van een souvereine, democratische staat op

                federatieven grondslag,genaamd: De Vereenigde Staten van Indonesie.

Artikel 3: De Vereenigede Staten van Indonesie zullen omvatten:

                het gehele grondgebied van Nederlands-Indie,indien dat, de bevolking

                van enig gebiedsdeel, na overleg langs democratische weg, te kennen

                geeft niet of nog niet tot de Verenigde Staten van Indonesie te willen

                toe treden, voordat gebiedsdeel een bijzondere verhouding tot deze

                staten en het Koninkrijk der Nederlanden in het leven kan worden

                geroepen.

Artikel 4: De samenstellende staten van de Verenigde Staten van Indonesie zullen

                zijn de republiek Borneo, en de Grote Oost, onverminderd het recht

                van de bevolking van enig gebiedsdeel om langs democratische weg

                te kennen te geven, dat zij haar plaats in de Verenigde Staten van Indonesie

                op andere voet geregeld wenst te zien.

Artikel 6: De Nederlandse regering en de regering van de republiek zullen, ter

                behartiging van de gemeenschappelijke belangen van Nederlanders en

                Indonesiers, samenwerken tot de vorming van een Nederlands-Indonesische

                Unie, waaronder het Koninkrijk der Nederlanden, omvattende Nederland,

                Nederlands-Indie, Suriname en Curacao, wordt omgezet in genoemde Unie,

                bestaande uit enerzijds het Koninkrijk der Nederlanden, omvattende Nederland,

                Suriname, en Curacao en anderzijds de Verenigde Staten van Indonesie.

Artikel 8: Aan het hoofd van de Nederlands-Indonesische Unie staat de Koning(Koningin)

                der Nederlanden.

Artikel 12:De Nederlandse regering en de regering der republiek zullen er naar streven dat

                 de vestiging van de Vereingde Staten van Indonesie en van de Nederlands-

                 Indonesische Unie haar beslag krijgt voor 1 januari 1949.

Artikel 16:Aanstonds na het tot stand komen van deze overeenkomst zullen beide

                 partijen overgaan tot vermindering van de strijdkrachten.

                 Zij zullen in overleg treden omtrent mate en tempo van deze vermindering 

                 en omtrent hun samenwerking op militair gebied.

 

 

Linggadjati. uitzending van Andere Tijden.

 

Laatste wijziging op: 08-04-2009 14:52