HOME | STAAT VAN DIENST | FOTO'S | KRIJGSGEVANGENSCHAP | NEDERLANDS-INDIE | SCHEPEN | NOSTALGIE | AMCO | GASTENBOEK | LINKEN | VERHALEN | INDIE VETERANEN | INFO | MUZIEK | OPROEP VETERANEN | VERHALEN VAN KRIJGSGEVANGENEN. | GESCHIEDENIS 1 | GESCHIEDENIS 2 | GESCHIEDENIS 3

 

 

                      

 

                                                    GESCHIEDENIS  3

VERHALEN:

-De schat van Nakamura.

 

PERSONEN:

-Prins Bernhard. UPDATE 3-11-2006.

-Kapitein Raymond Paul Pierre Westerling. UPDATE 15-10-2006  Rehabilitatie incl.document.

 

       De 'Stadhoudersbrief'

 

Tussen 1941 en 1943 heeft prins Bernhard een aantal malen de Verenigde Staten van Amerika bezocht. Volgens diverse bronnen, waaronder de Britse Secret Intelligence Service (SIS), heeft hij tijdens zijn tweede bezoek (van 20 tot en met 25 april 1942) op 24 april 1942 een brief aan Hitler geschreven, waarin hij zichzelf aanbiedt het 'Stadhouderschap' over Nederland op zich te nemen. De brief is later vanuit Londen via Portugal naar Berlijn gestuurd. Na de oorlog zou het bestaan van deze brief tegen-over de SIS bevestigd zijn door generaal Eberhart Schöngarth (Befelhshaber der Sicherheitspolizei und des SD). Vlak voor zijn executie is de bewuste brief in Berlijn teruggevonden.

Het is overigens opmerkelijk dat prins Bernhard zijn brief uitgerekend

in Amerika heeft geschreven en niet in Londen, temeer daar de brief ook daarvandaan verzonden is.

 

Al tijdens een eerder bezoek aan de VS  - op 8 juni 1941 - heeft de

prins kennis gemaakt met de latere CIA-chef Allen Dulles.

Via Dulles kwam hij ook in contact met Bill Donovan (de oprichter van

de OSS (de voorloper van de CIA) en McGeorge Bundy (Army Intelligence). Bill Donovan was op dat moment namens de Amerikaanse regering een inlichtingendienst aan het opzetten voor spionage in Europa.

Tevens had Bernhard een ontmoeting met John McCloy, die belast was met

de informatievoorziening voor de Amerikaanse regering.

 

Aangezien Bernhard destijds ook verscheidene malen te gast is geweest op het Witte Huis, is het niet uitgesloten dat hij de 'Stadhoudersbrief' op instigatie van president Roosevelt c.s. geschreven heeft.

 

De geallieerden mochten dan wel gezamenlijk tegen Duitsland optrekken,

ze hadden wel degelijk hun eigen agenda hoe Europa er na de oorlog moest uitzien.

Feit is dat de Amerikanen de Britten niet meer de kans wilde geven hun vooroorlogse economische superioriteit in Europa te herstellen.

Het was voor hen dus van belang de pro-Amerikaanse Bernhard als 'Stad-

houder' (en bondgenoot!) in het strategisch gelegen Nederland te hebben.

Daar komt nog bij dat hij als rabiaat anti-communist voor Amerika van

groot belang zou kunnen zijn met het oog op een eventuele communistische staatsgreep na de Duitse capitulatie.

 

(Opmerking: Het is een feit dat Bernhards vrienden, jhr. W.G. Röell en

J. Schimmelpenninck, in mei 1940 in Nederland zijn achtergebleven met 'fondsen' van de prins voor het formeren van een legertje bestaande uit achtergebleven adelborsten. Bij een eventuele terugtrekking van de Duitse troepen moest er een keurtroep klaar staan om de zaak over te nemen met

het doel Nederland te behoeden voor een linkse staatsgreep.)

 

Aangezien Hitler en Bernhard elkaar al voor de oorlog hadden ontmoet,

hoopten de Amerikanen dat Hitler op de 'Stadhoudersbrief' zou ingaan.

 

==========================================================================

                     Prins Bernhard bij Hitler

 

          Om zijn beminnelijk optreden in Berlijn zeer geliefd.

 

Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld werd Dinsdagmiddag voor zijn vertrek

naar Nederland door den Führer en Rijkskanselier te Berlijn ontvangen.

De Führer, die de Prins reeds bij zijn verloving zijn gelukwenschen had

gezonden, herhaalde deze thans persoonlijk.

(Bron: Opregte Haarlemsche Courant, 11 november 1936)

==========================================================================

(Opmerking: Op 18 november 1936 schreef de 'Völkischer Beobachter' dat de Führer 'Prinsz Bernhard zur Lippe-Biesterfeld' ten afscheid had ontvangen.)

 

Jeanette Kamphorst

 

Jeanette Kamphorst, alias de Zwarte Panter, speelde een actieve rol in

het verzet. Tevens was ze agente van de Britse Secret Intelligence Service.

Door de Sicherheitsdienst is ze in 1945 in elkaar geslagen en is tot aan haar dood op Mallorca invalide gebleven.

Hieronder volgt een gedeelte van het vraaggesprek dat de journalist Jan Pijper in 1978 had met de toen 65-jarige Jeanette Kamphorst:

Pijper:    "Is die [Stadhouders]brief bij Hitler terechtgekomen?"

Kamphorst: "Hij is in Berlijn gekomen."

Pijper:    "Hoe is die brief weer in Nederland teruggekomen?"

Kamphorst: "Daar kan ik geen antwoord op geven."

Pijper:    "Kennelijk heeft u de brief van Prins Bernhard uit 1942 in uw

            bezit gehad."

Kamphorst: "Ja. Het is een aanbod van de Prins aan Hitler om namens hem

            Nederland te besturen."

Pijper:    "Zijn er kopieën van die brief?"

Kamphorst: "Er zijn kopieën bij verschillende vrienden van mij in Neder-

            land."

Pijper:    "Is die brief met de hand geschreven?"

Kamphorst: "Ja."

Pijper:    "Ondertekend door Prins Bernhard?"

Kamphorst: "Ja."

Pijper:    "Staan er nog meer handtekeningen onder die brief?"

Kamphorst: "Ja."

Pijper:    "Van wie?"

Kamphorst: "Dat zeg ik niet."

Pijper:    "U praat wel over die brief, maar u geeft hem niet om het te

            publiceren. Waarom?"

Kamphorst: "Ik heb orders uit Engeland om dat niet te doen."

Pijper:    "Van wie?"

Kamphorst: "Van de Secret Intelligence Service."

Pijper:    "Werkte u voor de Engelse geheime dienst?"

Kamphorst: "Ja, inderdaad."

Pijper:    "Heeft u nog contacten met hen?"

Kamphorst: "Ja."

Pijper:    "Beschikken de Engelsen ook over kopieën?"

Kamphorst: "Ja, ...heeft kopieën in zijn bezit." (mevrouw Kamphorst noemt

            een Engelsman met naam en titel.)

(Opmerking: Volgens haar neef, wijlen J. Brennan, betreft het hier Sir Stewart Menzies, het hoofd van de Secret Intelligence Service - afdeling MI6. In het dossier-Menzies zou zich overigens de originele brief moeten bevinden.)

 

Naar aanleiding van het bovenstaande interview heeft de journalist Wim

Klinkenberg op 8 december 1978 aan de toenmalige minister-president Van

Agt een aantal vragen gesteld:

Klinkenberg: "Is de regering bereid, in staat, c.q. van plan, te ver-

              klaren, dat prins Bernhard nimmer in 1942 een brief heeft

              geschreven, ondertekend, verzonden, c.q. doen transporteren

              aan welke Nazi-instantie dan ook in Berlijn of elders in

              bezet Europa?"

Van Agt:     "Neen, zo'n verklaring kan de regering niet geven, omdat een

              bewijs voor iets dat men niet heeft gedaan nooit kan worden

              geleverd."

Klinkenberg: "Is dan de regering bereid prins Bernhard om een dergelijke

              verklaring te vragen, want hij kan dat wel uit eigen weten-

              schap."

Van Agt:     "Wij gaan niet op kletspraat in. Ook dr. De Jong heeft mij

              gezegd, dat het onzin is."

Klinkenberg: "Heeft dr. De Jong dan een onderzoek ingesteld?"

Van Agt:     "Geen commentaar."

 

(Opmerking: Dezelfde avond stelde Vara-medewerker J. van Tijn aan Van Agt een verwante vraag, maar niet zo categorisch en dus vol ontsnappingsmoge-lijkheden. Ook toen had Van Agt het over 'onzin' en een desbetreffende getuigenis van dr. De Jong.)

 

De Telegraaf-verslaggever Henk de Mari had al in januari 1977 een zekere Lientje T. in Brabant geïnterviewd over de beweringen van Jeanette Kamp- horst inzake de 'Stadhoudersbrief'.

Lientje - die tijdens de bezetting voor de Sicherheitsdienst had gewerkt - verklaarde onder meer het volgende:

"Ik zou graag zeggen dat het niet waar is, omdat ik hier niets meer mee

te maken wil hebben. Maar het is wél waar. Ik heb Lages en Schöngarth of Lages óf Schöngarth dat inderdaad over prins Bernhard horen zeggen."

(Bron: De Telegraaf, 22 januari 1977.)

 

In november 1978 heeft het kamerlid Waltmans (PPR) een aantal kamervragen over prins Bernhard gesteld. Hij wilde onder meer weten hoe het zat met

de brief die de prins in 1942 aan Hitler zou hebben geschreven.

Hierover meldde het dagblad Trouw: 'Een woordvoerder van de Rijksvoor-lichtingsdienst zei gisteren desgevraagd dat de regering niet van plan

was een onderzoek te laten verrichten. "Het is niet de eerste keer dat zulke beweringen worden gedaan. Wat kan de regering daaraan doen?

De regering zou het tegendeel moeten bewijzen en dat is, volgens geraad-

pleegde deskundigen, in deze zaak ondoenlijk," aldus de RVD-woordvoerder.'

(Bron: Trouw, 28 november 1978.)

 

Jan Heitink

 

Jan Heitink, die in Frankrijk actief was voor de Franse inlichtingen-

dienst (en CIA) om o.a. Nederlandse communisten in de gaten te houden, heeft in 1981 op het hoofdkwartier van de Franse inlichtingendienst

'La Picine' een kopie van de 'Stadhoudersbrief' in handen gehad. Volgens Heitink was de brief met de hand geschreven en gedateerd 24 april 1942.

Het was een kort briefje; zo'n regel of 20 en niet groter dan een A5 met

het logo van de prins erop voorgedrukt. De brief was ondertekend door

prins Bernhard én prinses Juliana.

Het hoofd van de Franse inlichtingendienst (sectie Benelux) verzekerde Heitink dat de brief echt was.

Men heeft het handschrift uitvoerig vergeleken met andere stukken van

prins Bernhard. De brief was in Parijs gekomen via inter-Amerikaanse- Britse- en Franse relaties.

(Bron: T. Biesemaat.)

 

Voor bewezen diensten bij de Franse inlichtingendienst is Jan Heitink op 15 december 1976 door de toenmalige Franse president Valéry Giscard d'Estaing benoemd tot CHEVALIER DE L'ORDRE NATIONAL DU MÉRITE.
Hieronder de oorkonde.

 

 

 

De consequentie van de 'zetelverplaatsing'

 

Dat prinses Juliana de brief mede ondertekend zou hebben, is niet zo verwonderlijk. Koningin Wilhelmina had haar al in de zomer van 1940 geschreven: "Mocht jij echter andere mogelijkheden zien, welnu, dan

zal ik je die kans niet onthouden, dan zou je het moeten proberen".

(Bron: W.P. Hogendoorn.)

 

Vanwege de alarmerende berichten uit Nederland had Wilhelmina vermoede-

lijk inmiddels ingezien dat de vlucht naar Engeland achteraf niet zo

verstandig was geweest.

De 'zetelverplaatsing' heeft namelijk de weg vrijgemaakt voor een Duits burgerlijk bestuur onder Seyss-Inquart, met alle gevolgen van dien.

 

Volgens de historica Nanda van der Zee wees niets erop dat de Duitsers

vóór de inval van plan waren een civiel bestuur in Nederland te vestigen. Dat hebben zij in België, Frankrijk en Denemarken ook niet gedaan.

Alleen in Polen en Noorwegen gebeurde dat ook, omdat in Polen de gehele regering was gevlucht en in Noorwegen ook de koning de benen had genomen. Omdat Wilhelmina alle adviezen van haar ministers in de wind had geslagen, kregen Hitlers juristen Nederland eigenlijk in de schoot geworpen. Door artikel 21*) van de grondwet te overtreden had de Nederlandse regering zichzelf in feite opgeheven.

Seyss-Inquart kon op die manier als Rijksstadhouder de plaats van Wilhel-mina overnemen.

(Bron: Nanda van der Zee, De Groene Amsterdammer, 14 mei 1997.)

 

*) Artikel 21: 'In géén geval kan de zetel der Regering buiten het Rijk

[Nederland en de Koloniën] worden verplaatst.'

(Bron: J.A. Fruin, 'De Nederlandse wetboeken', p.4.)

 

Door de onwettige 'zetelverplaatsing' naar Engeland kreeg Nederland dus

naast een militaire bezetting tevens een Duits burgerlijk bestuur onder Seyss-Inquart dat extra noodlottig is geworden voor het joodse deel van

de Nederlandse bevolking.

 

In België en Denemarken - waar de vorsten wel op hun post zijn gebleven - heeft het overgrote deel van de joden de oorlog overleefd.

In België was dit 90% van de Belgische- en 60% van de buitenlandse joden (meest afkomstig uit Duitsland en Centraal Europa).

(Bron: Nanda van der Zee, De Groene Amsterdammer, 14 mei 1997.)

 

Mede door toedoen van de Deense koning heeft in Denemarken zelfs 99% van

de joden de oorlog overleefd.

(Bron: I. Gutman, 'Encyclopedia of the Holocaust'.)

 

Dit in tegenstelling tot Nederland, waar maar 20% van de joden de oorlog heeft overleefd. België en Denemarken kenden dan ook geen 'Westerbork'.

 

Om terug te keren naar de 'Stadhoudersbrief': volgens Hitlers aanteke-ningen in 'Hitler's Tischgespräche im Füherhauptquartier' heeft hij op

10 mei 1942 'een brief van Lippe' ontvangen, maar die nauwelijks, of

niet gelezen terzijde geschoven.

Of dit de bewuste 'Stadhoudersbrief' betreft, is niet bekend, maar het

valt niet uit te sluiten.

De brief - die op 24 april 1942 geschreven is en een dag of wat later vanuit Londen (via Portugal) naar Berlijn is verzonden - zou Hitler dus

zeer wel mogelijk op 10 mei 1942 ontvangen kunnen hebben.

 

Mocht Hitler op Bernhards voorstellen zijn ingegaan, en er hierdoor weer

een Nederlands burgerlijk bestuur zou zijn gekomen, dan was in Nederland veel leed bespaard gebleven.

 

Een oud-verzetsman heeft later opgemerkt: "We zouden er aanvankelijk wel vreemd van opgekeken hebben, maar de terugkeer van Bernhard en Juliana uiteindelijk van harte hebben toegejuicht. De razzia's, executies en deportaties hadden dan eindelijk tot het verleden behoord. We zaten

hier dan alleen nog maar opgescheept met een militaire bezetting om

de geallieerden tegen te houden."

 

Op 13 februari 2004 schreef W.P. Hogendoorn in het dagblad NRC:

'De veronderstelling dat de prins Seyss-Inquart wilde vervangen, is niet

zo gek: een burgerlijk 'eigen' bestuur zou meer levens hebben gespaard

dan onder het Duitse burgerlijk bestuur.'

 

==========================================================================

            Communiqué van de Rijksvoorlichtingsdienst

 

Naar aanleiding van uitlatingen van de heer G. Aalders in het TV-programma

Barend en Van Dorp van hedenavond over een brief die Zijne Koninklijke

Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden, volgens de heer Aalders, op

24 april 1942 geschreven zou hebben deelt de Rijksvoorlichtingsdienst het

volgende mede:

 

De Prins laat in een reactie met nadruk en bij herhaling weten dat hij

nooit een dergelijke brief geschreven heeft. De Prins laat tevens weten

dat hij het erg vervelend en beschadigend voor hem vindt dat telkens weer

in publicaties een niet bestaande brief opduikt.

 

RVD, 20.10.2003, 23.15 uur  

==========================================================================

 

Dat Bernhard altijd ontkend heeft ooit een 'Stadhoudersbrief' geschreven

te hebben, ligt ergens wel voor de hand. De besprekingen met Roosevelt en de Amerikaanse geheime dienst waren strikt geheim en hun archieven nog steeds gesloten.

Dus ook al zou Bernhard het toegegeven hebben, hoe had hij zijn overigens goede bedoelingen dan moeten bewijzen?

Men had hem nooit willen geloven en het als 'achterafpraten' beschouwd.

Er zat voor de prins dus niets anders op dan alles te blijven ontkennen.

 

Wat betreft de openbaarmaking van de Amerikaanse plannen met Bernhard

als 'Stadhouder' van Nederland zal men tot maart 2008 moeten wachten.

In 1982 ontving geheim agent Jan Heitink namelijk het volgende bericht

van Howard Bane, de vroegere chef van de CIA in Den Haag:

"Jan, you should notice, the 'Holland-papers' in our archives will be

free on march, the 17th of march 2008."

(Bron: T. Biesemaat.)

 

Naar aanleiding van het boek 'Omwille van de Troon' schreef E. Brouwers -

de directeur-generaal van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) - een brief

aan de auteur W.P. Hogendoorn.

In zijn antwoord schreef hij Brouwers op 22 november 2002 onder meer het volgende terug:

'Uw tweede vraag betreft de brief die Bernhard aan Hitler zou hebben geschreven vanuit Londen in 1942 met verregaande vredesvoorstellen en

een rol voor zichzelf daarbij. Van groot belang daarbij is een zekere Jeanette Kamphorst die de brief na de oorlog zou hebben gehad en waar-

over de RIOD-medewerker Gerard Aalders o.m. een verrassend interview

gaf aan het dagblad Het Parool.

Verrassend was daarbij vooral de vermelding dat ook de Britse Secret Service kopieën van de brief zou bezitten en vooral ook dat er, naast

de handtekening van de prins, een tweede persoon zou hebben ondertekend.

De brief is volgens bovengenoemde bronnen gedateerd op 24/4-1942.

Het is even zo verrassend voor mij te horen dat het huidige NIOD tegen

u zegt "van niets te weten".

Volgens mijn - helaas voor u vertrouwelijke - informatie bezat ook het

RIOD wel degelijk een kopie van de brief en ik meen me zelfs te herinneren dat Het Parool daar enkele zinssneden uit citeerde. Maar zeker moet het NIOD toch de bovenstaande bronnen kennen, zou je zeggen!

Bijgaande stuur ik u tevens wat meer in dezen zoals mij weer door de oud-verzetsman Charles Destrée werd toegezonden nadat ik me n.a.v. uw brief

tot hem wendde. De inhoud spreekt voor zichzelf.

Ten laatste; zelfs Adolf Hitler zelf noemt de brief in het befaamde boek 'Hitler's  Tafelgesprekken'.'

 

==========================================================================

    Niod: Prins Bernhard schreef geen brief aan Hitler

 

Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) neemt afstand

van beweringen van een van zijn eigen onderzoekers, historicus Gerard

Aalders, dat prins Bernhard in 1942 mogelijk een brief heeft geschreven

aan Adolf Hitler met het aanbod stadhouder van Nederland te worden.

"Niets wijst in die richting," aldus Erik Somers, ook historicus, en

woordvoerder van het Niod.

(Bron: Het Parool, 23 oktober 2003.)

==========================================================================

 

Citaten

 

Over Bernhards wantrouwen jegens Engeland (vóór 'Pearl Harbor'):

 

'De afhankelijkheid van Engeland was bijzonder groot en ook de USA werden daarom door sommige Nederlandse kringen [waaronder Bernhard!] als een nuttige tegenkracht beschouwd, alweer in hoge mate in verband met de posities in Zuidoost-Azië.'

(W. Klinkenberg, 'Prins Bernhard', 1986, p.185.)

 

'Bekend is dat, hoe anglofiel Bernhard ook was, hoezeer hij ook bevriend

was met George van Kent, hij toch zeer beducht was voor een te grote

Britse overmacht na een vrede of overwinning van de geallieerden.

De angst dat Engeland opnieuw een dominante rol zou opeisen in een be-

vrijd Europa, dus een bevrijd Nederland, was bij velen aanwezig onder

wie koningin Wilhelmina en de Franse generaal De Gaulle.'

(W.P. Hogendoorn, epiloog 'De Anjercode', 2005, p.358.)

 

'De angst voor Britse dominantie had Bernhard al in 1940, zeer tegen

Churchills zin in, doen besluiten om een eigen Nederlandse inlichtingen-

dienst onder leiding van Francois van 't Sant op te richten, de CID.'

(W.P. Hogendoorn, epiloog 'De Anjercode', 2005, p.359.)

 

Over Bernhards belangstelling voor Amerika (vóór 'Pearl Harbor'):

'Mogelijk is ook, dat hij, hetzij door moeilijkheden die hij bij bepaalde Britse instanties ontmoette, hetzij doordat zijn instructies hem daartoe brachten, zijn toekomst meer aan de overzijde van de Atlantische Oceaan

zag liggen, in de toen nog neutrale Verenigde Staten van Amerika.

Waterink teemt in ieder geval, dat "wanneer wij nu de ontwikkeling der dingen zien, dan blijkt hoe het zwaartepunt van de belangstelling van de Prins geleidelijk verschoof naar hetgeen er in Amerika ook voor onze bevrijding geschiedde... Veel meer dan in de simpele lijst van werkzaam-heden blijkt, is de Prins in de jaren in Engeland betrokken geweest bij alle belangrijke contacten, die de Nederlandse regering met Amerika had".'

(W. Klinkenberg, 'Prins Bernhard', 1986, p.188)

 

Over Bernhards reizen naar Amerika:

 

'Bernhard was er in geslaagd vele malen de Atlantische oceaan over te

steken. In 1941, eenmaal naar de USA, toen nog neutraal; in 1942 driemaal, na Pearl Harbor; in 1943 nog eens driemaal.'

(W. Klinkenberg, 'Prins Bernhard', 1986, p.227.)

 

'Al tijdens zijn eerste reis komt Bernhard bijvoorbeeld de latere CIA-

chef Allen Dulles tegen. Dulles is een opmerkelijke Amerikaan omdat hij actief lobbyt voor het betrekken van Amerika bij de oorlog in Europa en mogelijk Azië.

Hij is bevriend met 'Wild' Bill Donovan, een officier die op dat moment namens de Amerikaanse regering een inlichtingendienst opricht voor

spionage in Europa . Deze Office of Coordinator of Information (COI)

ziet in de zomer van 1941 het licht, rond de tijd dat Bernhard in

New York is. Voor Bernhard is Dulles zijn eerste en belangrijkste ingang bij de Amerikaanse geheime dienst.'

(Ph. Dröge, 'Beroep: meesterspion; het geheime leven van prins Bernhard', 2002, p.83-84 en dossier 856.01611/35, National Archives Washington.)

 

'Een andere relatie die prins Bernhard altijd warm gehouden heeft, was

die met Allen Welsh Dulles, de latere nestor van de Amerikaanse inlich-tingendienst CIA. Hij was een jongere broer van John Foster Dulles, de minister van Buitenlandse zaken onder Dwight D. Eisenhower. Via Allen Dulles kwam prins Bernhard ook in contact met (vooral achter de schermen) zeer invloedrijke lieden, zoals Bill Donovan, de oprichter van de OSS (de voorloper van de CIA), McGeorge Bundy (Army Intelligence) en John McCloy, die de informatievoorziening van de Amerikaanse regering in goede banen leidde. Walter Bedell-Smith ontwikkelde zich wellicht tot Bernhards belangrijkste relatie aan de overzijde van de Oceaan.'

(J.G. Kikkert, 'De Prins in Londen', 2004, p.82.)

 

'En dan is er nog Eisenhouwer zelf. Bernhard leert de veelbelovende

Amerikaanse generaal op voordracht van Bedell-Smith kennen.

Hij ziet ook in dat de Nederlandse prins-gemaal goed van pas kan komen

bij de aanstaande  verovering van Europa, vooral waar het gaat om het beteugelen van linkse elementen in de Nederlandse bevolking.'

(Ph. Dröge, 'Beroep: meesterspion', het geheime leven van prins Bernhard, 2002, p.85.)

 

'Bernhards oorlogsvriend, wijlen Charles van Houten, kwam er na 1945

rond voor uit, dat het 'geheime-dienstapparaatje' van Bernhard in Londen, waartoe hij en Erik Hazelhoff Roelfzema behoorden, tenslotte bij de Amerikaanse geheime dienst terecht kwam.'

(W. Klinkenberg, 'Prins Bernhard', 1986, p.478.)

 

Over de 'Stadhoudersbrief':

 

'In de aprildagen van 1942, toen de brief geschreven moet zijn, was

Juliana met Bernhard in Washington, waarvoor zij vanuit Ottawa naar de Amerikaanse hoofdstad was gekomen op uitnodiging van president Roosevelt

en diens echtgenote. Zijn wij goed ingelicht, dan is het die tweede

handtekening die de SIS tot nu toe er van heeft weerhouden haar agente Jeanette Kamphorst de vrijheid te geven de brief te tonen.

De consequenties voor de politieke stabiliteit van de kleine maar belang-rijke NAVO-partner aan de Noordzee acht men aan de overzijde te groot.'

(W. Klinkenberg, 'Prins Bernhard', 1986, p.230.)

 

'Maar als de 'Stadhoudersbrief' inderdaad heeft bestaan - en ik geloof

dat - is er geen sprake van hoogverraad, integendeel, maar als motivatie Nederland te onttrekken, zowel aan de Duitse overheersing als aan de gevreesde Britse dominantie.'

(W.P. Hogendoorn, epiloog 'De Anjercode', 2005, p.360.)

 

'De gedachtegang achter de 'Stadhoudersbrief' is de volgende: Bernhard

zou op eigen initiatief een voorstel hebben willen doen aan Berlijn,

met in zijn achterhoofd een relatief autonoom Nederland, buiten de

directe invloedsfeer van Engeland (Churchill!).

De strekking van de brief zou zijn geweest om Nederland niet meer onder Duits burgerlijk gezag te plaatsen, maar om de gehate Seyss-Inquart te laten vervangen door een 'Stadhouder' (Bernhard).'

(W.P. Hogendoorn, epiloog 'De Anjercode', 2005, p.361.)

 

'Ik ga ervan uit dat Bernhard zeer goede bedoelingen had met zijn ver-

zoek om terug te keren naar Nederland en daar Seyss-Inquart te vervangen.

Als 'Stadhouder'. Seyss-Inquart had toen allang zijn fluwelen aanpak verruild voor een meedogenloos schrikbewind en de razzia's op de joden

waren begonnen. Het was naïef van Bernhard, maar ongetwijfeld goed

bedoeld om het burgerlijk gezag over te willen nemen in bezet gebied.

Bernhard ontkende de brief te hebben geschreven. Daarvoor voerde hij

een merkwaardig, en ondeugdelijk argument aan: hij zou dat nooit hebben

gedaan omdat 'toen in april 1942 al duidelijk was dat de oorlog was

gekanteld' (ten faveure van de geallieerden). Met andere woorden, hij

zou het dus wel hebben gedaan (kunnen doen) als dat niet het geval was.

En dat was ook zo! Bernhards historische kennis dan wel zijn adviseurs

moeten hem in de steek hebben gelaten: de oorlog 'kantelt' immers pas

in de winter van 1942-1943, na Stalingrad en Noord-Afrika!'

(W.P. Hogendoorn, epiloog 'King Kong', 2006, p.454-455.)

 

'Het is waar: juist in die tijd zochten de Duitsers voor het bezette

Nederland een soort zetbaas. De NSB-leider Anton Mussert bezat te weinig uitstraling en werd over het algemeen zeer gehaat en verguisd.

Toen zou er van Duitse zijde zelfs aan de sociaal-democratische leider

Koos Vorrink zijn gedacht. Maar deze bedankte voor de eer.

Toen zou prins Bernhard in beeld zijn gekomen.

De brief van 24 april 1942 met vredesvoorstellen en suggesties over Bernhards latere rol in Nederland, zou door de prins in de Verenigde

Staten zijn geschreven en zou via prinses Armgard en Heinrich Himmler

bij de Führer hoogstpersoonlijk zijn terechtgekomen.

Sindsdien spookt deze brief met enige regelmaat in de geschiedschrijving

van deze periode rond; ook in de serieuze geschiedschrijving.'

(J.G. Kikkert, 'De prins in Londen', 2004, p.17-18.)

 

'HP/De Tijd suggereerde in haar nummer van 23 mei 2003 dat Edwin de Roy

van Zuydewijn prins Bernhard met openbaarmaking van de 'Stadhoudersbrief' zou hebben gedreigd.

De Roy van Zuydewijn is [was] getrouwd met een kleindochter van Prins Bernhard, prinses Margarita de Bourbon Parme.

Het stel veroorzaakte een rel door in bovengenoemd weekblad en het Duitse blad Stern over het koninklijk huis uit de school te klappen. Het echtpaar voelde zich benadeeld en gemanipuleerd door hun tante, koningin Beatrix.

Hóe de aangetrouwde kleinzoon van prins Bernhard (een kopie?) van het document in handen heeft gekregen, laat het weekblad in het midden.

Na het bericht in HP/De Tijd heeft zich opnieuw een getuige gemeld, zij

het niet publiekelijk. Deze heeft inmiddels in een door hem ondertekende verklaring vastgelegd dat de 'Stadhoudersbrief' bestaat.

Hij beweert hem met eigen ogen te hebben gezien en stelt ook te weten

waar hij wordt bewaard.

Onderzoek zou hebben uitgewezen dat de brief niet is vervalst.

Interessant is dat deze getuige gezien zijn positie en contacten in ieder geval de mogelijkheid heeft gehad om tot de plaats waar de Stadhouders-brief' (eventueel een kopie) zou kunnen worden bewaard door te dringen.

Dat deze getuige de monarchie een meer dan warm hart toedraagt, lijkt

reden om zijn verklaring niet zonder meer naar de prullenbak te verwijzen.

Maar ook deze verklaring is natuurlijk niet het definitieve bewijs: dát

is alleen de brief zelf. Volgens de Binnenlandse Veiligheidsdienst (tegen-woordig AIVD) is het niet uitgesloten dat de brief nog eens opduikt, maar dan staat nu al vast dat hij vals is. Zelfs als hij echt is.'

(G. Aalders, 'Leonie', 2003, p.321-322.)

 

(Opmerking: Feit is dat de oom van Edwin, Charles de Roy van Zuydewijn,

een topman was bij uitgeverij VNU, dat onder andere ook de Nieuwe Revu

uitgaf.

Dit blad onthulde in 1978 het bestaan van de 'Stadhoudersbrief' en publiceerde het interview met Jeanette Kamphorst [ex-Secret Intelligence Service].

Zodra Bernhard vernam dat Charles' neef Edwin een huwelijkskandidaat

van Margarita was, zou hij alles op alles hebben gezet om hem buiten de koninklijke familie te houden.)

(Bron: De Groene Amsterdammer, 17 mei 2003)

 

                             ===========

 

Samengesteld door Gerard de Boer

Amstelveen

 

Dit verslag is bijgewerkt tot en met oktober 2006.

 

 

De schat van Nakamura

 

In de chaos vlak na de Tweede Wereldoorlog vindt in voormalig Nederlands-Indië de grootste juwelenroof uit onze koloniale geschiedenis plaats. Peter Schumacher reconstrueert de misdaad die nooit helemaal werd opgelost.

Deel 1.

Hoe een groot deel van de schat in handen valt van een femme fatale en corrupte legerofficieren.

 

 Twee vrachtwagens komen voorrijden bij het grote pandhuis, gelegen aan Kramat, een brede straat even buiten het centrum van Batavia (nu Jakarta). Het is een week na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945. De Japanse kapitein Hiroshi Nakamura, begeleid door de voormalige Japanse chef van het pandhuis en enkele helpers, loopt naar binnen. De afspraak met de Indonesische beheerder is dat vijf koffers worden gevuld met zo veel mogelijk juwelen en diamanten die tijdens de bezetting in dit pandhuis bijeen zijn gebracht. Met behulp van het personeel worden de brandkasten leeggehaald. De koffers zijn al gauw vol. Haastig worden nog wat manden gebracht.

De opdracht om het pandhuis leeg te halen is afkomstig van kolonel Akira Nomura, hoofd van het planbureau van het Japanse leger en Nakamura's chef. De buit moet volgens de instructies van Nomura gebracht worden naar zijn kantoor aan het Koningsplein. Daar zullen de vijf koffers worden meegegeven aan vijf commandanten die met de inhoud daarvan vijf interneringskampen moeten bekostigen voor de verslagen Japanners. Eén in Jakarta en vier in de buurt van de stad Bogor.

De Japanners dienen zichzelf te interneren in afwachting van hun repatriëring of berechting wegens oorlogsmisdaden. In Nederlands-Indië is na de overgave van Japan aan de geallieerden een onwerkelijke situatie ontstaan. De verslagen Japanners, die Indië sinds maart 1942 bezetten, hebben niemand aan wie zij zich kunnen over geven. Op de topconferentie van de Grote Drie (Amerika, Engeland en Rusland) is afgesproken dat Engeland voorlopig het militaire bestuur in Nederlands-Indië op zich zal nemen. Het duurt echter nog maanden voordat er voldoende Britse troepen zijn om de macht over te nemen. De situatie wordt nog gecompliceerder wanneer op 17 augustus 1945 in Jakarta door de Indonesische leider Soekarno de onafhankelijke Republiek Indonesië wordt uitgeroepen. Vanuit zijn kantoor in Singapore beveelt de Britse admiraal lord Mountbatten de Japanse legerleiding in afwachting van de komst van de Britse militairen de burgers in en buiten de kampen te beschermen en voor hen zelf vijf interneringskampen in te richten.

Veel juwelen uit het pandhuis zitten verpakt in papieren enveloppen. Ook is de buit nog niet in vijf gelijke delen verdeeld. Daarom besluit Nakamura de overvolle koffers en manden eerst naar zijn eigen huis te brengen en daar te sorteren. Een poging om zijn chef Nomura telefonisch in te lichten over zijn handelswijze mislukt. Thuis treft hij zijn minnares Carla Wolff-de Jong aan, die recht tegenover hem woont en met wie hij al sinds het begin van de bezettingstijd een verhouding heeft. Nakamura vraagt haar hem te helpen met het uitzoeken van de juwelen. Het is veel werk, en bovendien moet Nakamura weer weg. Carla roept voor het sorteerwerk de hulp in van de jonge Bram Roukens.

Als Nakamura de volgende ochtend thuiskomt, liggen de juwelen keurig geordend op de grond in de huiskamer. Er zijn een stuk of tien stapels gemaakt, waaronder een stapel edelstenen ter grootte van een 'halve voetbal'. Ook is er een stapel met gouden sieraden die Carla graag zelf wil houden. Want, zo zegt zij tegen Nakamura, de oorlog is afgelopen en jij kunt niet meer voor mij en de kinderen zorgen (vier uit haar huwelijk met Wolff en twee van Nakamura ). Uit de reactie van Nakamura leidt Carla af dat hij ermee instemt dat zij de juwelen houdt. Uit angst voor berovingen schaft Nakamura een brandkast aan voor Carla's deel.     Spoedig daarna verlaat hij zijn huis om in de nabij gelegen wijk Tanah Abang met andere Japanse officieren te worden geïnterneerd. Wel bezoekt Nakamura Carla nog regelmatig. Op een dag brengt hij een stapeltje bank biljetten ter waarde van twee honderdduizend Nederlands-Indische guldens (gelijkwaardig aan de Nederlandse gulden) mee naar huis. Hij  vertelt dat hij het geld van Nomura heeft gekregen. Dit geld, zegt hij tegen Carla, is bestemd voor vier Japanse interneringskampen in de omgeving van Bogor en moet ook in de safe worden bewaard. Later brengt hij nog eens twintig staven zilver.

Nakamura maakt zich zorgen over de mogelijkheid dat jonge Indonesische revo- lutionairen of 'rampokkers' (plunderaars) Carla met haar nieuwverworven kostbaarheden zullen belagen en wellicht overvallen. Hij wil dat zij de buit in veiligheid brengt. Ong Wie Soen, de Chinese vertrouweling en hulp van Nakamura, biedt uitkomst. Hij heeft een Chinese kennis, Tio Wie Koen, op Pintu Besi wonen die een grote safe heeft. Het grootste deel van de juwelen komt daar terecht, evenals het geld. De zilveren staven verstopt Ong tussen een stel auto-onderdelen. Carla houdt een klein deel van de juwelen om mee te handelen of om weg te geven aan vrienden en vriendinnen, die als vliegen op het goud afkomen. Ze maakt absoluut geen geheim van de enorme rijkdom die ze plotseling heeft gekregen. Ze fantaseert openlijk over een gouden bed waarin ze binnenkort hoopt te slapen en dito borden waarvan ze zal eten. Met die loslippigheid neemt zij meer risico's dan zij beseft.

Waar is eind augustus 1945 het leeuwendeel van de Nakamura-schat gebleven? In februari 1946 wordt Nakamura door de Britse Field Security Service (FSS) gearresteerd. Zijn arrestatie heeft aanvankelijk niets te maken met het feit dat hij vijf maanden eerder een pandhuis vol juwelen heeft leeggehaald. Daar weten de Britten, die tijdelijk het militaire gezag in Nederlands-Indië uitoefenen, dan nog niets van. De FSS is geïnteresseerd geraakt in Nakamura omdat hij in het kamp in Tanah Abang een veel prominentere rol speelt dan zijn rang van kapitein toestaat. Ook maakt Nakamura zich in de ogen van de FSS verdacht omdat hij over veel contanten beschikt. Zou hij wellicht iets te maken kunnen hebben, vragen de Britten zich af, met een ondergrondse organisatie van Japanners en Indonesiërs die onder de naam Zwarte Waaier actief is tegen het Britse militaire bestuur?

Wanneer enkele weken na Nakamura's arrestatie de eerste vermoedens rijzen dat hij betrokken is geweest bij de juwelenroof in het pandhuis, zetten zijn verhoorders hem nog strakker de duimschroeven aan en bekent hij alles. Enig verband met de Zwarte Waaier kunnen de Britten niet vinden. Uit de verhoren van Nakamura en zijn chef Nomura valt het volgende verhaal te reconstrueren. Nakamura krijgt Nomura uiteindelijk toch aan de telefoon en vraagt waar de juwelen naar toe moeten. Hij zegt niet dat hij een deel ervan heeft afgestaan aan zijn minnares Carla Wolff. Nomura geeft opdracht de buit naar zijn kantoor te brengen. Daar worden de juwelen keurig over de vijf koffers verdeeld. Een deskundige schat de waarde van elke koffer op honderdduizend Indische guldens. Nakamura schrijft met krijt de namen van de kampen op de koffers. Kort daarna komen de kampcommandanten die ophalen.     Nakamura en Nomura zeggen tijdens hun verhoor niet met zekerheid te weten of de inhoud van de koffers werkelijk is gebruikt om de vijf kampen te bekostigen. Als de kampcommandanten de inhoud zouden hebben verkocht, dan hadden in het najaar van 1945 in West-Java vrij veel juwelen moeten opduiken. Maar alleen in Bandung, de hoofdstad van West-Java, doen in 1946 en 1947 verhalen de ronde over Japanners en Knil-militairen die diamanten en juwelen in hun bezit hebben of trachten te verkopen. Een onderzoek door een militaire commissie levert niets op, laat staan dat kan worden aangetoond dat het hier zou gaan om delen van de Nakamura-schat, maar onmogelijk is het niet.

 Nakamura's trouwe medewerker Ong Wie Soen wordt begin februari 1946 gearresteerd op verdenking van een aantal delicten, waaronder wapensmokkel, die losstaan van de Nakamura-schat. Deze arrestatie maakt Carla zenuwachtig. Zij stelt Nakamura voor, die dan nog in het Tanah Abang-kamp zit, haar goudschat weg te halen uit de safe van Tio Wie Koen en op diens erf te begraven. Dat gebeurt. Alleen het geld blijft in de safe.

Diezelfde maand vernemen twee informanten van de Nederlandse militaire inlichtingendienst (Nefis), als gevolg van Carla's loslippigheid, dat zij moet beschikken over een enorme hoeveelheid goud. Een van die Nefis-medewerkers is de burger Maurits Noach. De andere medewerker is de 35-jarige vrouw Renée Ulrich. Noach gaat met zijn verhaal naar zijn chef bij Nefis. Hij wordt uitgelachen. Vervolgens gaat hij naar de Britse FSS. Kapitein J.H.R. Morton staat hem te woord. Ook hij fronst aanvankelijk de wenkbrauwen, maar besluit toch Carla's woning te doorzoeken. Als een handjevol sieraden wordt gevonden, besluit Morton haar te verhoren met Noach als tolk.

Begin maart 1946 vindt het verhoor van Carla plaats op het kantoor van Morton. Carla ontkent alles. Ze weet niets van grote hoeveelheden juwelen die in haar bezit zouden zijn. Morton gelooft haar niet en gaat over tot fysiek geweld. Carla slaat door en wijst de plaats aan waar haar schat ligt begraven. De juwelen zitten in twee petroleumblikken die zijn volgestort met gestolde was. Morton, zijn adjudant sergeant Dawson, Noach en Ulrich nemen de blikken mee. Ook de tweehonderdduizend gulden uit de safe van Tio halen ze op. Het is laat geworden en Carla kan niet meer naar de gevangenis worden gebracht. Bovendien moet ze haar jongste kind verzorgen. Zij mag die nacht in haar huis blijven.

Op het kantoor van Morton worden de juwelen uit de blikken gesmolten. Het grootste deel ervan brengt Morton naar de Britse militaire betaalmeester. Het geld en een aardige hoeveelheid juwelen houden Morton en Dawson zelf. Noach en Ulrich krijgen van Morton juwelen en geld voor hun hulp bij de opsporing van de schat. In een verhoor verschaft Noach de onderzoeksrechter veel bijzonderheden over de manier waarop hij en Renée Ulrich van Morton en Dawson een voorraadje juwelen hebben gekregen. Een kussensloop vol armbanden, munten en een stapeltje Nederlands-Indische bankbiljetten met een waarde van vijftigduizend gulden. Ulrich en Noach hebben die spullen begraven in de tuin van Renée. Het geld is in haar huis verstopt. Volgens Noach had Ulrich een grote aantrekkingskracht op hem, ondanks dat hij wist dat zij ondertussen een verhouding was begonnen met de Britse majoor J.B.D. Williams van de Militaire Politie.

Einde aflevering, er volgt nog een aflevering van deel 1.

 

--Het Nederlands-Indische justitiële apparaat in opbouw weet in maart 1946, als Carla Wolff gevangen is gezet door Morton, nog maar weinig van de zaak af. Mr. Ed Brunsveld van Hulten wordt na zijn kamptijd aangesteld als officier van justitie in Batavia. Renée Ulrich kent Brunsveld al van voor de oorlog. Hij was een vriend van haar vader. Ulrich benadert Brunsveld met het verzoek of hij voor haar een uitreisvisum naar Singapore kan regelen. Dat kan hij niet. Op haar verzoek bezoekt Brunsveld Ulrich thuis. Dan valt de naam van Carla Wolff. Brunsveld weet Carla, die inmiddels door Morton is vrijgelaten, op te sporen.

 

Carla, die haar deel van de schat is kwijt geraakt, vertelt Brunsveld wat er is gebeurd. Ook hoe zij door Morton tot een bekentenis is gedwongen. Brunsveld zoekt contact met de Britse inlichtingendienst. Morton en Williams houden zich van de domme. Brunsveld zet zijn onderzoek voort en komt in Singapore terecht bij kolonel Sharp, chef van de Special Investigation Branche (SIB). Sharp komt persoonlijk naar Batavia. Dit leidt tot de arrestatie van Morton en Williams. Beiden moeten verschijnen voor de krijgsraad. Morton wordt wegens het ontbreken van een essentiële getuige vrijgesproken; Williams krijgt een jaar dwangarbeid en ontslag uit de dienst.

 

 Renée Ulrich probeert nog via de Bataviase pandhuisbaas Kroon haar begraven deel van Carla's schat te verkopen. Kroon mag de helft houden. Als Ulrich zich in het nauw gedreven voelt, zegt ze dat hij alles mag hebben. Maar het is al te laat. Op 8 juni worden Ulrich en Kroon door Brunsveld in de gevangenis opgesloten. Alle betrokkenen zitten dan vast en de verhoren die later zullen leiden tot een proces voor de landsraad kunnen beginnen. De enigen die de dans ontspringen, zijn Carla's Indische vriendje Bram Roukens, die naar Nederland is gerepatrieerd en daar onvindbaar blijkt, en Mortons assistent, sergeant Dawson, die naar Engeland is vertrokken. Later zal hij in Engeland toch nog worden gepakt.

 

Op 17 juni 1946 komt Het Dagblad, een nieuwe krant in Batavia, als eerste met het hele verhaal vol smeuïge details. De halve voor pagina wordt ervoor ingeruimd. Het Dagblad schat de waarde van de teruggevonden juwelen op 86 miljoen gulden. Dat is exclusief de vijf koffers die in augustus 1945 zijn meegegeven aan de Japanse kamphoofden, want daar weet Het Dagblad dan nog niets van. Hoe de krant aan het bedrag komt, is onduidelijk, maar het zal achteraf veel te hoog blijken te zijn.

Brunsveld bereidt het proces voor tegen Carla Wolff, Renée Ulrich, Maurits Noach, Ong Wie Soen, Tio Wie Koen en J.P.B. Kroon. Op verdenking van heling staan verder nog drie Chinezen terecht en een Indische jongeman die ervan wordt verdacht, in zijn functie van ‘bodyguard’ van Carla Wolff, gouden juwelen van haar te hebben gestolen om ze uit te delen aan zijn vriendinnetjes. Brunsveld wil van Nakamura precies weten hoe groot het deel van de buit was dat hij aan Carla heeft af gestaan. Nakamura: "Ik was erbij tegenwoordig dat Carla Wolff voor zichzelf iets afzonderde. Ik stond haar toe voor zichzelf te nemen wat zij het best en het mooist vond naar haar eigen opvatting. Ik heb haar daarbij, voor zover ik mij herinner, geen raad gegeven." Carla vertelt Brunsveld dat het leeuwendeel van de schat is weggebracht en toen niet meer van haar was. Als Carla eind augustus 1946 terechtstaat, ligt alles wat er van de schat is teruggevonden gesorteerd op een tafel. De Britse betaalmeester, bij wie Morton het grootste deel van Carla's opgegraven schat heeft ingeleverd, heeft een prachtige inventarisatie gemaakt, compleet met een schatting van de waarde: 331.025 Indische guldens aan juwelen en 144.110 aan contanten. Samen een kleine half miljoen gulden. Was die taxatie reëel? Daniel Girod, een voormalige medewerker van het veilinghuis Sotheby's, zegt op grond van de inventarisatie: "Die Engelsen zaten er niet ver naast. Maar ik wijs er nog even op dat een taxatie van de waarde volgens de verzekering een factor 2,5 hoger uit zou vallen."  Sinds 1946 is door de inflatie de gulden ongeveer achtmaal minder waard geworden.

Vanaf de eerste dag dat Carla voor de landrechter verschijnt, houdt zij vol dat het door Ong weggebrachte en later in Tio's tuin begraven deel van de schat niet van haar was, maar het bezit bleef van Nakamura. Rechter Filet gelooft haar niet. In Het Dagblad van 3 september 1946 verschijnt een uitgebreide reportage. De verslaggever schrijft: "Voor de groene tafel zit Carla, een mager, zenuwachtig gebarend vrouwtje met grote donkere vampier-ogen. Ze heeft zich voor deze zitting behoorlijk opgemaakt, klaarblijkelijk om haar bekoorlijkheden zo goed mogelijk te doen uitkomen. Een scherp getekend, mager gezicht onder een geweldige zwarte haardos à la gamine. De nerveuze trekken zijn onderstreept door veel rood en zwart op een dikke poederlaag."

Volgens de tenlastelegging heeft Carla Wolff "onwettig in bezit gehad sieraden en goederen, waarvan zij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat deze door misdrijf ver- kregen waren, onwettig in bezit had een geldsbedrag groot f. 270.000, waarvan zij ook de herkomst moest weten." Carla ontkent wederom alles, maar bevestigt dat Nakamura eind augustus 1945 met een groot aantal koffers gevuld met juwelen thuis was gekomen en later, in september, een koffer met Javasche Bank-biljetten en een doos met Japans geld meebracht. Van het Japanse bankgeld mocht zij boodschappen kopen. Carla geeft toe dat Nakamura haar had verteld dat de sieraden afkomstig waren van een pandhuis, "waar hij ze op last van zijn chef, een generaal, had moeten kopen om ze onder zijn personeel te verdelen". Carla zegt geen idee te hebben gehad wat de sieraden waard waren. Het deel dat Morton heeft afgegeven aan zijn paymaster, aldus de rechter, wordt door hem geschat op 475.000 Indische guldens. Als Carla door mr. Filet wordt geconfronteerd met haar uitspraak over slapen in een gouden bed en eten van gouden borden, antwoordt ze nerveus lachend: "Ach, dat is allemaal nonsens, het waren niet meer dan grapjes." Dan geeft de rechter Carla de gelegenheid uitgebreid te vertellen over het fysieke geweld dat Morton toepaste toen hij haar verhoorde. Hierop vraagt mr. Filet waarom zij niet direct heeft gezegd waar het goud verborgen lag, aangezien het toch niet van haarzelf was. Carla reageert met te zeggen dat ze bang was voor de Engelsen. Ook Noach vertrouwde ze niet omdat hij als Nefis-medewerker voor de Engelsen werkte.

In zijn requisitoir betoogt mr. Brunsveld dat hij de beklaagde wel degelijk beschouwt als de bezitster van de begraven schat, anders had zij de Engelsen wel meteen gezegd waar die te vinden was. "Beklaagde is", gaat Brunsveld verder, "het prototype van een onontwikkelde en ijdele vrouw die denkt dat zij met haar charmes alles kan gedaan krijgen van jongelieden. Beklaagde is echter weer niet zo onontwikkeld dan dat zij niet kon begrijpen dat de schatten niet aan Nakamura en andere Jappen, maar aan de geallieerden toebehoorden." Brunsveld eist een jaar gevangenisstraf. Rechter Filet doet onmiddellijk uitspraak: acht maanden cel met aftrek van voorarrest. Drie dagen later eist dezelfde openbare aanklager in het proces tegen Noach en Ulrich, die beiden wel schuld bekennen, respectievelijk anderhalf jaar en acht maanden celstraf. De rechter doet ook hier direct uitspraak: Noach veertien maanden, Ulrich acht.

Morton ontspringt voorlopig de dans. Enige maanden later wordt Dawson, de afwezige getuige bij Mortons proces, opgepakt. Dawson bekent dat hij met hulp van Ulrich en Morton een diamant en een aantal robijnen in de uitgeholde hak van zijn schoen naar Engeland heeft gesmokkeld. Morton had deze diamant gekocht van de meer dan twee ton Indische bankbiljetten die deel uitmaakten van de door hem in beslag genomen schat van Carla. Ulrich hielp hem in Batavia een schoenmaker te vinden die de edelstenen in de hak verborg. Morton kocht deze diamant voor 125.000 Indische guldens (nu bijna een half miljoen euro) van een Chinese juwelier, omdat hij wist dat hij die Indische guldens nergens ter wereld kon inwisselen tegen gangbare valuta.

Tijdens het proces van Hiroshi Nakamura en zijn chef Akira Nomura voor de temporaire krijgsraad in Batavia op 30 juli 1948 krijgt het publiek via de pers te horen wat het doel is geweest van de roof uit het Bataviase pandhuis. Bijna drie jaar na de gebeurtenissen op Kramat spreekt de Indische Courant over 'nieuwe onthullingen'. Volgens de krant is de schat nooit geheel boven water gekomen. "Er wordt verteld", aldus de krant, "dat een groot gedeelte nog ergens in Menteng (de Europese wijk van Batavia) verborgen moet zitten."

Rechter mr. L.F. de Groot reconstrueert de zaak minutieus naar aanleiding van de verklaringen van de beklaagden en op grond van getuigenverklaringen van Carla Wolff en de beambten die bij de operatie in het pandhuis aanwezig zijn geweest. De Groot en auditeur-militair mr. J. Diephuis voelen Nomura flink aan de tand over zijn standpunt dat het hier om Japans bezit zou gaan. Tijdens de bezetting was immers de armoede onder Indonesiërs en Indo-Europeanen gegroeid en veel mensen hadden om die reden hun kostbaarheden verpand in de hoop ze na de oorlog terug te kunnen kopen.

De officiële stukken van het proces zijn verloren gegaan. In de Indische Courant van 7 augustus 1948 staat het betoog van Diephuis te lezen: "De verdachten hebben er beiden niets toe bijgedragen om de sluier op te heffen, die nog steeds over de verdwijning van de schat ligt. Integendeel, zij hebben geprobeerd samen een verhaal op te dissen dat niet juist kan zijn." Diephuis noemt Nomura "een volkomen onbetrouwbaar sujet en Nakamura voor de gemeenschap minstens even gevaarlijk". Hij eist tegen beiden vijftien jaar gevangenisstraf. Op 2 november 1948 wijst mr. De Groot vonnis. De waarde van de schat wordt geraamd op enkele miljoenen Indische guldens. Nakamura wordt schuldig geacht 330.000 (nu 1,2 miljoen euro) ten eigen bate te hebben aangewend. De rechtbank acht beide beklaagden schuldig aan plundering en veroordeelt Nakamura tot een gevangenisstraf van tien jaar en Nomura tot een straf van vijf jaar. In februari 1949 bevestigt het wettig gezag in Indonesië het vonnis tegen Nakamura en wordt Nomura's straf teruggebracht tot één jaar. De laatste komt onmiddellijk vrij. Nakamura vertrekt eind december 1949 naar Japan, waar hij de rest van zijn straf uitzit. In 1951 komt hij in aanmerking voor voorlopige invrijheidstelling. Twee jaar later zit zijn gevangenisstraf erop. Van Nakamura wordt nooit meer iets vernomen.

Carla de Jong komt begin 1947 vrij. Zij verhuist naar een hotelletje in de benedenstad van Batavia. Ze verkast enkele malen. Omdat zij nog een getuigenverklaring moet afleggen in het proces tegen Nakamura en zijn chef, mag ze voorlopig het land niet verlaten. Haar man heeft de zware dwangarbeid aan de Birma-spoorweg overleefd, keert terug naar Batavia en laat zich scheiden van Carla. Hun vier kinderen wonen elders in de stad bij hun vader.

Begin 1949 ontmoet Carla in een bar in Batavia de dienstplichtig soldaat Siem Berman. Ze krijgen een verhouding die een jaar zal duren. Berman herinnert zich Carla als een knappe, aardige vrouw. "Haar oudste zoon, die toen een jaar of achttien was, bezocht zijn moeder bijna iedere dag. De andere kinderen kwamen wat minder regelmatig. Carla woonde toen in een Chinees hotel in de benedenstad. Het was een leuke tijd, maar ze heeft me financieel wel geruïneerd en ik heb ook nog drie maanden moeten zitten wegens te vaak onwettig afwezig."

Een van de zonen van Carla Wolff, die liever niet met zijn naam in de krant wil, vertelt dat het gezin Wolff in 1942 bestond uit acht kinderen. “Mijn moeder kreeg in de oorlog een zoon van Nakamura en na de oorlog nog een kind van een onbekende vader. Rond 1950 trouwde ze met een Nederlandse officier, maar zij scheidden al heel snel en kort daarna trouwde zij met ritmeester Vic Robbers. Met hem en haar twee jongste kinderen, onder wie dus dat van Nakamura, vertrok zij in 1952 naar Nederland. Ik ben zelf pas in 1967 met een jongere broer naar Nederland gekomen. Een zusje van mij zat toen ook al in Holland�.

Het huwelijk met Robbers duurde ook maar een paar jaar. Carla bleef in Den Haag wonen. De zoon van Nakamura, die Ken de Jong heette (de meisjesnaam van zijn moeder), keerde in 1961, toen hij 18 jaar was geworden, definitief naar Indonesie terug. Een dochter van Carla trouwde een rijke Indonesier en vestigde zich met hem in de jaren ’70 in Jakarta. In 1985 liet zij haar zieke moeder tijdelijk overkomen naar Indonesie, waar zij hetzelfde jaar nog stierf, 77 jaar oud. 

Zover bekend heeft Carla de Jong over haar stormachtige leven nooit een journalist te woord gestaan. Dat was voor Joop van den Broek, indertijd werkzaam bij de legervoorlichtingsdienst in Jakarta, geen beletsel zich bij zijn eerste detectiveroman te laten inspireren door de opwinding rond de Nakamura-juwelen. Hij noemde zijn boek “Parels voor Nadra�. Het is vele malen herdrukt.

(Dit artikel verscheen in een iets andere vorm op 12 oktober 2002 in de zaterdagsbijlage van het Algemeen Dagblad) Copyright Peter Schumacher/Algemeen Dagblad.

 

De Nakamura-schat.

 

De schat van Nakamura

 

In de chaos vlak na de Tweede Wereldoorlog vindt in voormalig Nederlands-Indië de grootste juwelenroof uit onze koloniale geschiedenis plaats. Peter Schumacher reconstrueert de misdaad die nooit helemaal werd opgelost.

Deel 2.

Moord en Malversaties in het Leger.

 

Begin 1948 ebt in Indonesië het rumoer rond de Nakamura-schat weg. Alleen

Nakamura moet nog terechtstaan. Dan wordt Bandung opeens opgeschrikt door de moord op een officier. De Indische geruchtenmachine draait op volle toeren. De vermoorde officier, vaandrig Rob Aernout, zou niet alleen transportofficier zijn geweest, maar ook veiligheidsofficier. Hij zou uit de weg zijn geruimd omdat hij op het spoor was gekomen van grootscheeps geknoei met militaire goederen. Ook zou Aernout over documenten beschikken waaruit blijkt dat een Nederlander een deel van de Nakamura-schat in Australië heeft verkocht. De geruchten over malversaties in het leger worden aangewakkerd door verontruste bestuursleden van de net opgerichte Bond voor Burgerpersoneel in Militaire Inrichtingen (BBM). Generaal Spoor, de bevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten in Indonesië, voelt zich gedwongen een onderzoek in te stellen. Hij belast Raymond Westerling ermee, de befaamde commandant van het Korps Speciale Troepen.

Westerling verhoort veel mensen, onder wie kapitein Otto Muller van Czernicki. Aernout werd bij diens vakantiehuisje in Lembang (vlak bij Bandoeng) vermoord. Niets wijst erop dat Muller de man is die Westerling zoekt. Het onderzoek wekt veel beroering, maar levert niets op. Westerling wordt van zijn taak ontheven. Toch blijft de vakbond BBM van Spoor eisen dat hij een einde  maakt aan de misstanden in het leger. De bond noemt geregeld de naam van kapitein John Luyke Roskott.

  Naar de als 'zeer handig' bekendstaande Luyke Roskott was reeds een jaar eerder, in 1947, onderzoek gedaan. De commissie die zijn gedragingen naging, telde drie leden en werd geleid door kolonel mr. N.J.M.A. Huysmans. In haar rapport refereert de commissie aan 42 klachten, waarvan een groot deel anoniem zijn ingediend. De beschuldigingen hebben opvallend vaak betrekking op diamanten. Zo zou Luyke Roskott hebben nagelaten vijf diamanten die in het bezit waren van een Japanner, in beslag te nemen en te deponeren als vijandelijk vermogen. Ook zou hij pogingen van deze Japanner en nog enkele van diens maatjes om die diamanten te verkopen niet hebben gerapporteerd, terwijl hij ervan wist. Bij de aanklachten wordt ook een inmiddels gevangengenomen Japanner genoemd die zich diamanten had toegeëigend. Luyke Roskott had in Bandoeng meteen na de capitulatie in 1945 bij gebrek aan geschoold personeel een aantal Japanners in dienst genomen bij de Leger Technische Dienst (LTD) waarvan hij commandant was.

In januari 1948, ruim een maand voor de moord op Aernout, komt de commissie tot de slotsom dat het wellicht niet zo verstandig is geweest van Luyke Roskott om zo kort na de oorlog vriendschappelijk met Japanners om te gaan. De commissie heeft achter geen enkel hard bewijs kunnen vinden van de genoemde malversaties. Luyke Roskott gaat vrijuit. Het rapport-Huysmans geeft geen uitsluitsel omtrent de waarheidsgehalte van de melding dat er diamanten bij Japanners zijn aangetroffen. Het zou interessant zijn geweest om de tekst te lezen van de acht klagers die de Commissie-Huysmans heeft gehoord en ook om te lezen hoe Luyke Roskott, die tweemaal door de commissie werd verhoord, de beschuldigingen heeft gepareerd. De betreffende bijlagen bij het rapport ontbreken helaas in de rijksarchieven. Daar komt bij dat Huysmans zijn rapport nogal compact en in bijna onleesbare militair-ambtelijke taal heeft geschreven. In 1951 verschijnt hij voor een andere onderzoekscommissie in Nederland. Huysmans schetst dan het volgende beeld van de omstreden officier: "Luyke Roskott wist altijd op de een of ander manier de mensen van huisraad, ijskasten e.d. te voorzien. Hij zorgde er voor anderen aan zich te verplichten. Natuurlijk had Luyke Roskott zelf ook spullen; die kerels hadden alles en dat mag natuurlijk niet. Luyke Roskott was zo'n type, als je tegen hem zei: ik moet morgen honderd auto's hebben, dan stonden er de volgende dag ook honderd auto's, maar dan moest je niet vragen hoe hij er aan kwam. Onder die omstan-digheden waren zulke mensen goud waard. Het was een tijd, waarin men zichzelf moest weten te behelpen. Maar natuurlijk kreeg men ook, met iemand als Luyke Roskott, dat hij goed voor zichzelf en zijn relaties zorgde. Toen echter de toestanden normaler werden en hij toch zo bleef doorgaan, ging men zeggen: er moet een einde aan komen. Daarna kwamen ineens de verhalen. Er zouden diamanten weg zijn e.d. Luyke Roskott kreeg veel verdenking. Hij was toen 'the big fighter' van Bandoeng."

De onderzoekscommissie, die is ingesteld door het ministerie van Oorlog en wordt geleid door de vooraanstaande jurist mr. J. Zaaijer, wil van kolonel Huysmans weten of de toestanden die hij net heeft beschreven, ook elders in Indonesië voorkwamen. Hij antwoordt dat hij alleen zaken in Bandoeng heeft onderzocht. Bijna terloops voegt Huysmans hieraan toe: "Van Priok (de haven van Jakarta) wisten we dat er tussen de boot en het magazijn 40 % van de boel verdween." De commissie laat na deze goedgeïnformeerde hoofdofficier te vragen waarop hij deze ernstige beschuldiging baseert.

 

Meteen na de oorlog zijn de verbindingen over land van en naar Bandoeng moeilijk en gevaarlijk als gevolg van de uitgebroken Indonesische revolutie. Bandoeng is een geïsoleerde stad. Er heerst grote chaos, maar er moet toch weer een min of meer goedgeordende samenleving en militaire structuur worden opgebouwd. Vooral aan auto's is een groot tekort. Luyke Roskott begint met behulp van Japanners een autotechnische werkplaats. Al gauw krijgt hij de reputatie van ritselaar. Hij en zijn gang wekken afgunst, maar soms ook bewondering: ze kunnen alles 'regelen'. Bandoeng raakt nog meer ontwricht na de Eerste Politionele Actie in de zomer van 1947.

Vanuit zijn nieuwe standplaats Semarang (Midden-Java) voorziet Luyke Roskott de oprukkende militairen van voertuigen die hij overal vandaan weet te halen. Dat bezorgt hem bij de troepen in het veld groot aanzien. Tijdens de acties gaat hij naar elke plek waar 'de jongens' hem nodig hebben. Op een van die reizen zit mr. Karel Bieger naast hem in het vliegtuig. Bieger vervult in en buiten het leger een aantal rechtbankfuncties. "Voor die gewone soldaat, die aan alles tekort had, was Luyke Roskott een soort held", herinnert mr. Karel Bieger zich. "Hij regelde alles. Al bij onze eerste ontmoeting maakte hij indruk op me. Vanwege zijn forse gestalte, maar ook door zijn innemende persoonlijkheid en door zijn behoefte te shockeren en vijanden te maken. Ik had sterk de indruk dat Luyke Roskott genoot van alle verhalen die over hem de ronde deden. Waar mogelijk dikte hij die nog een beetje aan. Hij was echt nergens bang voor. Het was duidelijk dat zijn grote beschermengel de territoriaal commandant van Bandoeng, generaal De Waal, was. Ook had hij iets magisch met vrouwen."

An Ch. Schaub (1952), Luyke Roskotts dochter en enig kind, vertelt: "Mijn vader heeft in het verleden regelmatig gesproken met journalisten en met Loe de Jong van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Hij werkte 'gematigd' mee aan die gesprekken, maar had zo zijn eigen visie op de dingen die waren gebeurd. Hij was erg anti-Spoor. Er hangt een soort waas om deze zaak heen. Ik weet ook niet alle ins en outs. Ik heb nog steeds pasjes waarmee mijn vader in Bandoeng overal toegang had." Schaub onderhoudt nog altijd contact met haar vaders oude vriend 'oom Karel'.

Karel Bieger heeft niet alleen Luyke Roskott goed gekend, maar ook een merkwaardige ontmoeting gehad met vaandrig Aernout. Bieger: "Het was begin december 1947 in Banyumas; vermoedelijk sinterklaasavond. Er heerste een gezellige drukte in de soos. Toen kwam er opeens iemand binnen en het werd direct stil. Ik denk: wat gek. Later op de avond ben ik naar die man toegegaan. Stelde me voor en vroeg wie hij was. Het bleek vaandrig Aernout te zijn. Hij vertelde dat hij de volgende dag naar Cilacap, aan de zuidkust moest voor onderzoek. Toevallig moest ik daar ook heen. Ik bood hem aan met me mee te rijden in de jeep die ik toen had. Ook vond ik het wel veilig om een geweer extra in de auto te hebben, want het was daar soms nog behoorlijk onveilig. Op de terugweg vroeg ik hem wat hij in Cilacap had gedaan. En toen vertelde hij dat hij onderzoek had gedaan naar Nederlandse troepen die uit Bandoeng kwamen en dat er geritseld was met voorraden. Meer details gaf hij niet. Toen zei hij op een gegeven ogenblik ik weet het natuurlijk niet letterlijk meer maar het kwam hier op neer: 'Ik ben bang dat ze me binnenkort te pakken nemen.' Hij duidde op mensen naar wie hij een onderzoek instelde. Dat hij drie maanden later was vermoord, hoorde ik pas veel later, toen er publiciteit over ontstond."

Het staat vast dat Aernout een tas met papieren meenam naar Muller von Czernicki in Lembang. Die tas had hij altijd binnen handbereik. Waar het bericht vandaan komt dat daarin een lijst zat van in Australië verkochte diamanten en juwelen, is niet duidelijk. Als de weduwe van Aernout na afloop van het onderzoek de tas terugkrijgt, bevat die niet meer dan wat persoonlijke zaken.

De man die centraal zou hebben gestaan in deze zogeheten Australian Connection is Rob Nikerk. Hij gaat kort na de bevrijding van Indië voor een half jaar naar Australië. In het voorjaar van 1946 wil hij terug naar Indië, maar ze hebben hem daar niet nodig. Zijn zwager, kolonel F. Kroese, die in Batavia commandant is van alle militaire technische werkplaatsen in Indië en dus de directe chef van Luyke Roskott, helpt Nikerk aan een baantje op de personeelsafdeling van Luyke Roskotts werkplaats in Bandoeng. Kroese had tijdens de oorlog in Australië gediend. Nikerk is, zo ver bekend, nooit verhoord over mogelijke transacties met juwelen en diamanten in Australië.

De kwestie van de in Australië verkochte partij juwelen duikt in 1949 nog een keer op. Vaandrig Aernout zou een informant zijn geweest van hoofdredacteur J.H. Houbolt van het Bataviaas Nieuwsblad. In augustus 1949 publiceert deze krant het eerste grote verhaal over de malversaties. Er worden namen genoemd van een paar hoge pieten, en de krant krijgt een proces aan zijn broek. Het weerhoudt Houbolt er niet van dieper te graven. Hij staat ook bezwarend materiaal af aan onderzoeksrechter mr. W.J. Haye. Enkele dagen nadat hij de dossiers van Houbolt heeft gekregen, sterft Haye onder verdachte omstandigheden.

In 1950 treft Houbolt hetzelfde lot. Hij heeft laten doorschemeren dat hij met nieuwe onthullingen komt, onder meer over de kwestie van de in Australië verkochte diamanten. In verband daarmee zal hij over enkele dagen naar Nederland vertrekken. Een dag voor zijn vertrek is hij plotseling dood. Zover bekend zijn beide sterfgevallen nooit onderzocht. Veel dossiers worden in 1949 in Indonesië in opdracht van hogerhand vernietigd om te voorkomen dat ze in Indonesische handen vallen. En als ze wel bewaard zijn en naar Nederland gebracht, blijken ze ook hier op wonderlijke wijze 'niet meer aanwezig'.

 

Pim Colson is in 1946 nog maar net een paar dagen bevrijd uit een Indonesisch

interneringskamp als hij wordt ingelijfd bij het Knil. Hij wordt onderofficier bij de Centrale Juridische Afdeling (CJA) van de militaire politie. Colson, die eerder dit jaar overleed, bevestigt dat in 1949 een grote hoeveelheid rapporten in vlammen is opgegaan. "Volgens mijn commandant, majoor Brouwer, was het beter dat die dossiers allemaal werden vernietigd, anders zou er later in Holland maar ellende van komen. Maar we hebben allemaal, en mijn meerderen nog beter dan ik, geweten wat er in die dossiers stond. Zo staat het voor mij onomstotelijk vast dat Luyke Roskott direct betrokken is geweest bij grootscheepse wapensmokkel naar de Indonesiërs. Wij hadden daar verklaringen over van gevangengenomen Indonesische militairen. Maar men schrok terug voor een krijgsraadzaak tegen Luyke Roskott, waarbij deze Indonesiërs zouden moeten getuigen." Ook de kwestie van wapensmokkel is nooit goed uitgezocht, laat staan dat er ooit mensen voor vervolgd zijn. Wel maakte regisseur Ben Verbong er in 1984 een film over onder de titel De schorpioen.

Op de vraag aan Colson of hij het waarschijnlijk acht dat de Japanners die Luyke Roskott kort na de oorlog in dienst had, zich bij hem hadden 'ingekocht' met juwelen afkomstig van de Nakamura-schat, antwoordt Colson bevestigend. "Ja, want wij wisten ook dat Luyke Roskott een verhouding had met Carla Wolff, de voormalige minnares van Nakamura. Ik ben daar persoonlijk getuige van geweest."

De onverwachte dood van generaal Spoor op 25 mei 1949 zou volgens insiders het gevolg kunnen zijn geweest van vergiftiging. Hij sterft enkele dagen nadat hij met zijn adjudant in de bekende Jachtclub in Priok heeft gegeten. De adjudant heeft volgens eigen zeggen dagen op de rand van de dood gelegen, maar haalde het uiteindelijk. Spoor niet. Als officiële oorzaak van Spoors dood is een hartaanval opgegeven. Op zijn lichaam is nooit sectie verricht. Kapitein Westerling heeft in interviews meermalen verkondigd ervan overtuigd te zijn dat Spoor is vergiftigd. Er waren volgens Westerling genoeg mensen die belang hadden bij de dood van Spoor omdat de generaal, waar mogelijk, de wijdverbreide corruptie in legerkringen wilde aanpakken. Spoor erkende wel dat dit bijna onbegonnen werk was want, zo zegt hij in 1948 op een bijeenkomst over misstanden binnen het leger: "Indien ik de vereiste maatregelen op dit ogenblik zonder aanziens des persoons moet uitvoeren, zou ik daardoor bijna 40 % van mijn officierscorps voor de krijgsraad moeten brengen." Die bijeenkomst betreft een overleg van de BBM, de vakbond van burgers werkzaam in militaire onderdelen.

Frans van der Putten, nog maar enkele maanden in dienst van de LTD in Bandoeng, is hoofdbestuurslid van de BBM. Hij vindt dat hij te laag is ingeschaald en onderneemt actie. Al snel veroordeelt Van der Putten ook de vele door hem ontdekte onregelmatigheden bij de dienst. Hij en zijn bond eisen harde maatregelen. Van der Putten, die volgens zijn critici zichzelf als dé BBM beschouwt, ondervindt van meet af aan tegenwerking van het officierskader van de LTD, niet in de laatste plaats vanwege de wilde en ongenuanceerde manier waarop hij de zaak aan de kaak stelt. Zijn tegenstanders proberen zelf een bond op te richten, maar dat mislukt. Dan probeert men de BBM te breken door kaderleden zo veel mogelijk over te plaatsen, inclusief Van der Putten. Spoor, die de BBM alle medewerking heeft toegezegd in de strijd tegen de gesignaleerde misstanden, voorkomt dit. Door de plotselinge dood van de generaal en het besluit dat in mei 1949 door Nederland is genomen om nog vóór 1 januari 1950 Indonesië volledige onafhankelijkheid te verlenen, komt van een serieus onderzoek naar malversaties niets meer. Bovendien zijn massaal persoonlijke dossiers vernietigd.

Terug in Nederland bestookt Van der Putten regering en parlement met talrijke rapporten. Hij eist dat in Indonesië verblijvende ex-leden van de BBM in dienst worden genomen van het ministerie van Oorlog om represailles van 'bepaalde figuren' te voorkomen. Ook eist hij een diepgaand onderzoek. Van der Putten heeft sinds hij bij de LTD is gaan werken, veel bezwarend materiaal verzameld. Bovendien heeft hij via via kopieën gekregen van verhoren die Westerling naar aanleiding van de dood van Aernout heeft afgenomen. Wanneer niet naar hem wordt geluisterd, stelt Van der Putten dit materiaal ter beschikking van De Leidsche Post. Vanaf 1 september 1950 volgt er in het blad weken achtereen een stroom van gedetailleerde 'onthullingen' en beschuldigingen, waarbij iedereen met naam en toenaam wordt genoemd. Het eerste artikel zet direct de toon met de kop 'Nacht over Nederland?' Met daaronder: 'Wie vermoordde de Veiligheidsofficier Vaandrig R.C.L. Aernout?' Deze verhalen trekken ook in de landelijke pers veel aandacht, wat natuurlijk Van der Puttens bedoeling is. Uiteindelijk krijgt Van der Putten toch zijn zin: er komt een officieel onderzoek. Een commissie onderleiding van mr. J. Zaaijer krijgt eind 1950 de opdracht na te gaan of er in Bandoengse legerkringen op grote schaal is geknoeid.

De commissie-Zaaijer gaat voortvarend te werk. Ze hoort 43 mensen en raadpleegt de eerder verschenen rapporten van Huysmans en anderen. Op 9 mei 1951 komt de commissie met haar eindrapport van 45 bladzijden. De bijlagen, waaronder de verslagen van de verhoren, blijven 'zeer geheim' en zullen dat nog decennialang blijven. Ook nu zijn die bijlagen nog altijd 'semi-openbaar'.

De belangrijkste conclusie van de commissie-Zaaijer is dat hier en daar iets is mis-gegaan vanwege de moeilijke omstandigheden waaronder het leger in Indië opnieuw moest worden opgebouwd. Mensen als Luyke Roskott hebben daarvan misbruik gemaakt. Niettemin zijn de misstanden altijd effectief bestreden. Van grote, goed georganiseerde malversaties is volgens de commissie geen sprake geweest. Die conclusie ligt nogal voor de hand. De commissie schrijft over het doel van haar onderzoek: "Zij ziet het als haar taak, de atmosfeer in Nederland te zuiveren van verdachtmakingen en wantrouwen."

Van der Putten, die een functie heeft bij het ministerie van Oorlog, wordt in het rapport afgeschilderd als een soort gek. "Deze man", aldus de commissie, "steeds verongelijkt, steeds querulerend, steeds opstandig tegen zijn superieuren, is een voortdurend bron van onrust, agitatie en moeilijkheden gebleken. De Commissie acht hem door zijn mentaliteit ongeschikt om in overheidsdienst werkzaam te zijn. De Commissie vraagt zich af, of een ambtenaar, die zulk een schandelijke actie voert, en zo zijn superieuren beledigt, niet voor ontslag wegens wangedrag in aanmerking komt al dan niet na een strafvervolging. In elk geval acht zij een medisch onderzoek door een psychiater gewenst."

Aernout komt er niet veel beter vanaf. Eerst stelt de commissie vast dat Aernout geen inlichtingenofficier is geweest, maar wel grote belangstelling had voor het inlichtingenwerk. Vervolgens schrijft de commissie: "Terwijl aan zijn rechtschapenheid en goede bedoelingen niet mag worden getwijfeld, vertoonde hij daarbij alle kenmerken van de onbekwame en onbelangrijke dilettant. Levende in een sfeer van detectieveromantiek, geheimzinnigheid en gewichtigdoenerij." Volgens de commissie is er geen enkele aanwijzing dat Aernout over dermate belangrijke inlichtingen in het leger beschikte dat hij daarvoor vermoord zou moeten worden. Hoe de commissie tot dit oordeel komt, wordt overigens niet met bewijzen gestaafd.

De conclusie kan niet anders zijn dan dat het rapport zeer eenzijdig is en slechts één doel had de commissie geeft het zelf toe de rust te herstellen en de goede reputatie van het leger te redden. Een reputatie waarop we trots kunnen zijn, vindt de commissie. De reacties in de pers op het rapport zijn over het algemeen negatief. Het verst in zijn kritiek gaat de journalist Paul van 't Veer, de Indonesië-deskundige van Het Vrije Volk. "De Commissie-Zaaijer", schrijft hij, "heeft een rapport opgesteld, dat in zijn eenzijdigheid, oppervlakkigheid, bevooroordeeldheid en onwetendheid alles wat ik ooit op dit gebied heb gelezen met stukken slaat."

 

In 1950, als Nederland voorgoed afscheid neemt van Indonesië, gaat Luyke Roskott over in Indonesische dienst. Vermoedelijk ook om zich aan verder onderzoek naar zijn daden te onttrekken. Hij is inmiddels getrouwd met een Indonesische vrouw maar blijft Nederlands staatsburger. Als in Nederland De Leidsche Post de artikelenserie over militaire malversaties publiceert en daarbij vele malen Luyke Roskott als belangrijkste boosdoener noemt, reageert hij vanuit Indonesië op die aantijgingen en op de beschuldiging dat hij nauw betrokken zou zijn geweest bij de Nakamura-kwestie. Hij laat zich interviewen door De Nieuwe Courant, een in Soerabaja verschijnend Nederlands dagblad. Onder de kop 'Juwelenaffaire' schrijft de krant dat Luyke Roskott herhaaldelijk met verwijzing naar de beschuldigingen aan zijn adres in De Leidsche Post wordt genoemd als vermoedelijke medeplichtige in de Nakamura-zaak. Hij zou op goede voet hebben gestaan met betrokken Japanse officieren. Luyke Roskott reageert in De Nieuwe Courant: "Voor de weerlegging van deze verdachtmaking kan ik u het best verwijzen naar de Justitie in Jakarta. De vonnissen in deze geruchtmakende zaak zijn reeds gevallen en mijn naam komt niet op de lijst voor." Naar welke lijst Luyke Roskott precies verwijst, is niet duidelijk. Een ontkenning dat hij ooit iets met de Nakamura-juwelen te maken heeft gehad, bevat zijn repliek niet.

In mei 1953 gaat Luyke Roskott met zijn vrouw en eenjarige dochter met verlof naar Nederland. In november van dat jaar keert hij per boot naar Jakarta terug. De Indonesische autoriteiten weigeren hem, zonder opgaaf van redenen, de toegang tot het land. Ze delen hem mee dat al zijn bezittingen in Indonesië verbeurd zijn verklaard. Slechts één huis, dat op naam van zijn vrouw staat, mag hij houden. Volgens zijn dochter An Schaub zou het gaan om een aantal plantages en ander onroerend goed, ooit door haar vader geërfd van zijn steenrijke papa, een vooraanstaand jurist. Over de oorzaak van de verbeurdverklaring tast zij in het duister. Het verhaal gaat dat Luyke Roskott tegenover zijn Indonesische collega's een 'koloniale houding' zou hebben aangenomen. Dit is niet meer te verifiëren, maar vaststaat dat er in die tijd in Indonesië sprake was van een toenemende anti-Nederlandse houding.                    Berooid keert het gezin naar Nederland terug. Na een vergeefse sollicitatie bij de VN krijgt Luyke Roskott een betrekking als leraar aan de Autotechnische School in Apeldoorn. In Nederland blijven hij en zijn oude vrienden uit Bandoeng, onder wie De Waal, elkaar regelmatig ontmoeten. Na zijn pensionering leeft hij nog elf jaar. Hij sterft in 1978.

Van der Putten strijdt nog jaren door. Uiteindelijk wordt hij ontslagen uit overheids-dienst. Dit ontslag vecht hij met succes aan. In 1963 neemt Van der Putten zelf ontslag als ambtenaar bij Defensie. Zijn overlijden in 1982 trekt nauwelijks aandacht. Op verzoek van zijn weduwe verbrandt zijn zoon het volledige dossier. De familie wil met de jarenlang slepende affaire niets meer te maken hebben.

Verhalen dat een deel van de verdwenen Nakamura-schat misschien nog ergens op Java ligt begraven, zijn voor Indonesiërs af en toe nog aanleiding om de schop ter hand te nemen en fanatiek te graven. Dat ondervond een Nederlandse kampeerder toen hij op een plek in West-Java zijn tent wilde opzetten. Hij werd dringend verzocht dat ergens anders te doen. Juist op die plek moest worden gegraven naar juwelen en goud afkomstig van de Nakamura-schat. Of deze schatgravers, en waarschijnlijk nog vele na hen, ooit werkelijk iets hebben gevonden van de Nakamura-schat is hún geheim.

 

(Dit artikel verscheen eerder op 18 oktober 2002 in de zaterdagbijlage van het Algemeen Dagblad)

 

Copyright  Peter Schumacher/Algemeen Dagblad

 

                             zie boeken op Ned-Indie Veteranen.

Linken :

Op zoek naar de Nakamura-schat. Peter Schumacher.

Goudroof. Peter Schumacher.

Kapitein Luyke Roskott.

Rapport tegoeden van Indische Nederlanders

Fragment OVT 16 januari 2000 uur 2 (8 min.) ANDERE TIJDEN.

5

In 1997 besloot de Nederlandse regering een onderzoek naar de Japanse roof tijdens de bezetting van Nederlands-Indie. Dit mede onder invloed van de onderzoeken naar joodse tegoeden (Liro-affaire). De conclusie van het rapport is dat de Japanners nauwelijks iets geroofd hebben van de bankrekeningen en levensverzekeringen. Paul van der Gaag spreekt de heer Herni.
De particuliere bank- en levensverzekeringstegoeden van Nederlanders: Nederlands-Indie/Indonesie - (onderzoek).

ANDERE TIJDEN : 

http://geschiedenis.vpro.nl/dossiers/24215010/    Nederlands-Indie onderwerpen.

 

http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/3299530/afleveringen/2347976/items/7402757/ Rapport tegoeden van Indische Nederlanders.

 

 

 

UPDATE 15-10-2006

REHABILITATIE VAN KAPITEIN WESTERLING EN ZIJN KST'ERS.

Onlangs heeft de Indonesische minister van Justitie, Yusril Ihza Mahendra gezegd dat kapitein Westerling op Zuid-Celebes 40.000 mensen heeft gedood.

Dit getal wordt overigens ook op veel Nederlandse internet-sites genoemd.

 

Dit is echter niet juist!

 

Op 13 april 1977 heeft luitenant-kolonel dr.Natzir Saïd ( afdeling Geschiedkundig Onderzoek der Indonesische Strijdkrachten van de Universiteit te Ujung Pandang ) namelijk verklaard dat het getal van 40.000 destijds door Soekarno gebruikt is als ‘propoganda maatregel tegen de Nederlanders’.

 

Uit onderzoek door Natzir Saïd en zijn staf is namelijk gebleken dat op Zuid-Celebes in de periode 1945-1950 in totaal 565 Indonesische doden te betreuren waren, waarvan 256 in de periode december 1946- februari 1947 ( dus tijdens de acties van kapitein Westerling).

 

Hieronder de verklaring van  luitenant-kolonel Natzir Saïd.              Bron: Gerard de Boer.

 

 TOP

 

Kapitein Raymond Paul Pierre Westerling.

Uit:’Mijn memoires’, door Kapt. Raymond Paul Pierre Westerling – Antwerpen-Amsterdam 1951.

 

Een zo’n geval van vergelding, nadat een voorafgaande waarschuwing in de wind was geslagen, had plaats onder nogal spectaculaire omstandigheden en dit ergerde vele Europeanen en leidde tot scherpe kritiek op mijn methoden.

Ik geloof dat velen zich minder hard in hun oordeel zouden hebben betoond als zij volledig op de hoogte waren geweest van de feitelijke toedracht van deze zaak, en bekend waren geweest met de grondbeginselen waarop mijn gehele optreden was gebaseerd.

Zij zouden zich dan hebben gerealiseerd hoe ik gebruik wist te maken van psychologische factoren, juist om te voorkomen dat ik tot die maatregelen genoodzaakt zou zijn die zij mij ten laste legden.

In deze tijd was ik gewend mijn maaltijden op de Societeitsclub te gebruiken.

Deze club werd vaak bezocht door een Indonesier die voor de oorlog talrijke zakenrelaties had gehad met Nederlandse inwoners van Makassar en die thans zijn kennissen uithoorde om de terroristen in staat te stellen met succes hun strooptochten te ondernemen.

Zijn werk als spion was ons duur te staan gekomen en hij was verantwoordelijk voor verschillende hinderlagen waarbij Nederlandse soldaten waren gedood.

Wij hadden al het bewijs in handen, nodig om hem te laten arresteren, veroordelen en executeren; maar ik dacht dat hij iemand was die gered kon worden.

Hij was ongetwijfeld een misdadiger naar de normen van de wet en zeker volgens de wet van staat van beleg, welke voor dit gebied was afgekondigd, maar ik beschouwde hem als een oprechte nationalist, wiens overtuigingen men moest eerbiedigen.

In plaatst van hem te arresteren nam ik hem op de club terzijde en zei hem:�Ik weet alles wat U gedaan hebt en wat U op het ogenblik doet.

Ik geef U de goede raad U hier niet meer te laten zien.�

De man verbleekte, knikte en verliet de club.

Een paar dagen lang zag ik hem niet meer, doch toen vernam ik dat hij nog steeds als spion  werkzaam was; hij had het zelfs gewaagd mijn waarschuwingen in de wind te slaan en verscheen weer op de club om met zijn oude vrienden te praten; wel zorgde hij ervoor daar alleen in de ochtenduren te komen, wanneer ik er meestal niet was.

Daar om ging ik opzettelijk des morgens naar de club, waar ik hem met een paar anderen aan een tafeltje zag zitten.

Ik ging naar hem toe.�Herinnert U zich wat ik U gezegd heb?�vroeg ik.

Hij knikte zonder op te staan.

Ik trok mijn revolver en joeg hem ter plaatse een kogel door het hoofd.

Een opschudding die deze daad onder de Europeanen van Makassar veroorzaakte, was geweldig.

‘Moordenaar’ was de beleefste betiteling die ik te horen kreeg.

Ik twijfel er niet aan of de eerste reactie van de lezer is eveneens dat ik een soort monster ben, maar laat mij de zaak uitleggen.

Ik handelde niet zonder van te voren mijn daad goed overwogen te hebben.

Zij geschiedde om bepaalde redenen en mijn bedoeling was om bepaalde resultaten te verkrijgen.

Welnu, ik verkreeg deze.

Wat was het alternatief?

Ik had een methode kunnen volgen die aan niemand aanstoot had gegeven- ook niet aan de lezer.

Ik had de man kunnen laten arresteren en veroordelen.

Kapitein Raymond Westerling bij de commando-overdracht van het Detachement Speciale Troepen op Zuid-Celebes aan luitenant-kolonel W.van Beek.

Celebes deel 1 donderdag 11-01-2007  Ned.2   21.25 uur in 'Andere Tijden'

 Celebes deel 2.18-01-2007.

De redactie van dit programma heeft onderstaand document onder ogen gehad en er voor gekozen deze niet in de uitzendingen op te nemen net als betrouwbare inlichtingen betreft deze zaak.  De meeste veteranen vonden het een te eenzijdig verhaal" een dolksteek in de rug van de Indië veteraan".

 Zie ook het document van luitenant kolonel Dr.Natzir Said.                                                

 

 

 

POGING  TOT  EEN  STAATSGREEP.

 

Bron:Uit ‘Mijn memoires...’door kapitein Raymond Westerling.

 

Kapitein Raymond Westerling, die in januari 1949 groot verlof had gekregen en zich daarna als eigenaar van een vrachtautobedrijf had gevestigd te Patjet op Java, deed op 23 januari 1950 een poging tot een staatsgreep.

Terwijl een groep van het door hem opgerichte ‘Legioen van de Rechtvaardige Vorst’(APRA) een overval op Bandoeng uitvoerde en deze stad korte tijd bezet hield, poogde Westerling zelf Djakarta in te nemen.

In zijn memoires vertelt hij daarover het volgende:

 

“Mijn mannen zouden doorzetten te Bandoeng.

Ook ik moest een middel vinden om de voorgestelde aanval op Djakarta uit te voeren.

Ik klom in een lege truck en wij reden naar Djakarta.

Mijn enige hoop was hierin gelegen, dat ik in de hoofdstad zelf de benodigde wapens zou kunnen bemachtigen.

Het leek bijna onmogelijk:’t was midden in de nacht en ik had nog maar drie uur tot mijn beschikking om aan de nodige wapens te komen.

Doch onder het regime van corruptie en omkoperij was alles mogelijk – zelfs om op korte termijn en onder de neus van de regering wapens te kopen en die tegen diezelfde regering te gebruiken.

Feitelijk was het probleem niet om aan wapens te komen, maar aan geld.

Als ik het geld kon krijgen, dan wist ik wel waar de wapens te vinden waren.

Helaas had ik geen contanten. Al het geld, dat ik met mijn vrachtdienst had verdiend, had ik besteed aan het onderhoud van het legioen.

Ik had mijn bungalow verkocht en mijn vrachtauto’s verpand.

Alles wat ik bezat,was omgezet in rijst en vis voor mijn volgelingen.

Ik had geen wapens en uitrusting kunnen kopen en ik had zelfs niet genoeg geld over om in het levensonderhoud van mijn vrouw en onze drie kinderen te voorzien.

Het was wel een kleine strijdmacht, die zich nu naar Djakarta spoedde met het doel om die stad in bezit te nemen.

Een lege truck, ik zelf, mijn luitenant en de chauffeur van de truck – twee Bandoengse politiemannen, die zich bij mijn beweging hadden aangesloten. Bewapening: onze revolvers.

In Djakarta aangekomen, ging ik koortsachtig aan het werk.

Ik haalde mensen uit bed in mijn jacht naar wapens.

Ik had mijn eisen al heel wat moeten reduceren en dacht niet aan langer dan aan drie vrachtladingen van uitgezochte wapens, maar was bereid genoegen te nemen met honderd automatische geweren – slechts honderd geweren!

Met die paar wapens was ik bereid een poging te doen om Djakarta in handen te krijgen.

Indien ik slechts 5% kans had om te winnen, wilde ik het erop wagen.

Mijn mannen stonden gereed voor de opmars.

Sommigen moesten het garnizoen bezetten,anderen zouden het paleis van de president moeten veroveren.

Een paar geweren voor hen...dat was alles wat ik vroeg.

Het scheen te veel gevraagd te zijn.

Ik probeerde het niet bij de Nederlanders,want ik wist dat ik van hen geen hulp kon verwachten.

Doch de anderen hielpen mij evenmin.

Andermaal kan ik niet vertellen, tot wie ik mij wendde, of ook maar nadere details geven,duidelijk genoeg om een gissing mogelijk te maken, maar in korte tijd maakte ik heel wat mensen wakker – echter zonder succes.

Sommigen hadden geen kans om aan wapens te komen, anderen waren bang.

Zij hadden mij altijd beschouwd als een man, wiens succes gegarandeerd was.

Ik kon niet falen.Ik was tot hen gekomen met macht in mijn handen en had hun mijn diensten aangeboden en zij hadden die geaccepteerd.

Maar nu ik tot hen kwam met de bede om mij de middelen tot het handhaven van die macht te verschaffen,voorzagen zij plotseling de mogelijkheid van mislukking en werden zij bang.

Vroeger was het nooit bij hen opgekomen, dat Westerling kon falen, doch thans realiseerden zij zich, dat ik even feilbaar was als andere mensen.

Mischien was ik toch niet de Rechtvaardige Vorst!

Het was een verschrikkelijke nacht.

Ik ging van huis tot huis, terwijl de tijd verstreek en er steeds minder tijd overbleef om een actie te beginnen, die nu of nooit gewaagd moest worden.

De middelen tot succes waren zo gering en zo vlakbij – en ik kon ze maar niet bemachtigen.Het was om gek van te worden.

Om 4 uur was ik nog steeds zonder enige belofte tot daadwerkelijke hulp, nog steeds zonder die paar geweren, het enige dat ik nodig had.

Als honderd van mijn mannen deze wapens in handen hadden, zouden zij wel weten, hoe de andere benodigde wapens in handen te krijgen.

Vijf uur! Ik wist dat de strijdgroep bij Tjimahi nu op weg was naar Bandoeng.

Ik kon mischien noog 1 uur wachten,alvorens het offensief tegen Djakarta in te zetten, doch daarna zou het definitief te laat zijn.

Maar het werd zes uur en ik had nog geen geweren. Het was te laat.

‘Bij gebrek aan een spijker, ging een schoen verloren...’In mijn geval was het bij gebrek aan honderd geweren, bij gebrek aan een paar honderd dollar, dat de slag om de democratie verloren werd�.

 

Link:

De Nederlandse Krijgsmacht in Nederlands-Indie.

 

http://members.home.nl/koosp/index.htm

 

 

 

Laatste wijziging op: 22-01-2007 20:33